Hoe kun je iets missen dat er nooit geweest is?

Zwanger In mei vorig jaar kregen en zijn vrouw een miskraam. Hoe ga je om met een verlies dat vóór je ligt? „Er is iets niet, maar omdat ik heb bedacht wát er niet is, is het er.”

Illustratie Jasmijn van der Weide

Het is er, en dan is het er niet meer. Het is tien voor half acht op een dinsdagochtend, half mei. De zon schijnt al tussen onze lichtgrijze gordijnen door. Esper, ons zoontje van drie, is wakker en roept zijn moeder.

Ze slaat het dekbed van zich af en stapt in haar T-shirt en onderbroek uit bed, de overloop op, richting zijn kamer. Dan houdt ze in.

„Shit”, zegt ze.

Ik vraag wat er is en ze geeft antwoord, een paar woorden vanuit een akelige, koude verbazing, uitgesproken vlak voor de emotie er vat op zal krijgen.

Ik weet niet wanneer het verlies zich voltrokken heeft. Misschien eerder die ochtend, misschien die nacht. Voor onze beleving telt dat ook niet. Wat telt, wat pijn doet, is het weten. Ze zegt het, daar op de overloop, en we weten het. Wat het dan ook was, wat het had kunnen worden: het is er niet meer.

Drie dagen eerder kwam ze ’s ochtends naar boven met een vaag, klein plusje op de test van de Kruidvat. Ze was toen al ruim een week regelmatig misselijk. „My eggo is preggo”, zei ze, een citaat uit Juno, een film waar ze moeiteloos tientallen citaten uit kan oplepelen.

Ze keek me aan. Een vonkje euforie, snel weer gedoofd door alle voorgeschreven voorbehoud, maar ook door een zekere vanzelfsprekendheid. Alsof het al met al, ook na ruim een half jaar proberen, ook na soms een golf van verdriet als het niet gelukt was, altijd de enige mogelijke uitkomst was geweest: ze zou weer zwanger worden.

Zaterdag, zondag, maandag. Zo’n drie weken had het zich in haar lichaam genesteld, precies drie dagen in onze gedachten.

 

Die dinsdag – zij brengt de dag in bed door terwijl ik mijn zinnen zet op een goede dag met Esper – voel ik dat we iets verloren zijn, maar ik weet niet wat. Er was nog niets, en toch zijn we het kwijt. De volledige omvang van het verlies ligt vóór ons. Ik weet me daar geen raad mee.

„Je denkt aan de kinderen die je nooit hebt gehad maar had kunnen hebben”, schreef Hilary Mantel in haar memoires De geest geven. „Als de vroedvrouw ‘het is een jongen’ zegt, waar is het meisje dan gebleven? Als je denkt dat je zwanger bent, en het toch niet blijkt te zijn, wat gebeurt er dan met het kind dat zich al in je hoofd heeft gevormd? Je bewaart het in een vakje van je bewustzijn, als een kort verhaal dat na de openingszin niet meer van de grond kwam.”

Misschien dat het zoiets is, een vakje in je hoofd, maar daar kan ik die eerste dag nog niet bij. Esper is ’s ochtends van slag door de onbestemde sfeer waarin hij wakker geworden is. Ik doe mee aan alle spelletjes die hij bedenkt. Regelmatig gaan we boven bij haar kijken.

Het duurt lang voor ik besef dat we een miskraam hebben gehad. Dat woord is er de eerste uren simpelweg niet. Misschien dacht ik dat die term, zo hard, zo ellendig, van toepassing was als het later in de zwangerschap misgaat. Dat we hier een milder woord voor zouden hebben, iets om het mee toe te dekken. Stilverlies. Zachtgeboorte.

Pas ’s avonds, als Esper slaapt, kunnen we elkaar vragen hoe het gaat. We blijken die dag allebei te hebben geprobeerd iets op te schrijven in een dagboek.

Ik schreef dat ik probeerde het op afstand te houden, zonder te weten wat ‘het’ nu precies was. Dat het nu eerst om haar ging, om haar verdriet. „Maar dit is het”, schreef ik, „als ik nu met woorden zo dichtbij mogelijk probeer te komen: heel voorzichtig werd er de afgelopen dagen een toekomstbeeld ingekleurd. Het was nog heel vaag, het waren niet meer dan wat potloodstreken. Vandaag werd het met zwart doorgekrast.”

Zij schreef één zin op. „Ik ben niet meer zwanger.”

Als ik de volgende ochtend in de keuken sta om ontbijt te maken, komen de eerste twee regels van een liedje omhoog – en ik weet ineens heel zeker dat die regels de vorige dag ook al in mijn gedachten zaten.

In het in 2007 verschenen Musicophilia schreef de bekende Britse neuroloog Oliver Sacks dat zomaar een liedje in je hoofd hebben niet hoeft te betekenen dat je het net nog ergens gehoord hebt. Er kan een veel diepere, complexere verbintenis gelegd zijn. Hij noemt het voorbeeld van een man die op een avond in het najaar opmerkt dat het ’s avonds alweer zo vroeg donker wordt en een halve minuut later ‘The Old Lamplighter’ begint te neuriën – een heel oud liedje over donkere winterse nachten dat hij hoogstens een paar keer in zijn leven gehoord kon hebben.

Mijn zinnen zijn uit het begin van een liedje van Hello Saferide, de band van de Zweedse singer-songwriter Annika Norlin. You know, we could have had a daughter/ And we could have named her Anna.

Ik zet het nummer op en hou het aanrecht vast. Ik draai daarna, omdat ik voel dat ik dat ‘vakje van mijn bewustzijn’ waar Mantel het over had bijna kan openbreken, omdat ik er nu bij wil kunnen, ‘Anna Begins’ van de Counting Crows.

Daar gebeurt het. Daar verschijnt ze in beeld. Kom kijken in het liedje, want daar is ze

De eerste twee minuten van dat nummer heb ik altijd matig gevonden: melodie en tekst zijn dolende, en de Anna uit de titel wordt nog niet bij naam genoemd. Het is na precies twee minuten dat het liedje me vloert. And Anna begins to change her mind.

Daar gebeurt het. Daar verschijnt ze in beeld. Kom kijken in het liedje, want daar is ze. Het is de muziek waarin haar niet-zijn tot leven wordt gewekt. Wat er allemaal had kunnen zijn en nu niet, nooit, nooit precies zó, zal zijn: ik zie het die ochtend in de keuken allemaal voor me. Ze is een twijfelkont, ze is een dromer. Ze is jarig in januari. En dan, voordat het zover is, verandert ze van gedachten. And Anna begins to fade away.

 

Terugkijkend, analyserend, is het wonderlijk wat ik allemaal aan betekenis heb weten te negeren in die twee liedjes. Het nummer van Hello Saferide is een tragikomische wraakoefening: de dochter die had kunnen zijn, die ongetwijfeld de Nobelprijs zou gaan winnen en een huisje op het platteland zou kopen voor haar gepensioneerde ouders, werd nooit geboren omdat de hypothetische vader ervandoor ging voor ze over kinderen na konden denken. Counting Crows-zanger Adam Duritz schreef ‘Anna Begins’ over een wispelturige Australische vrouw die hij eens ontmoette op vakantie in Griekenland.

En toch heb ik mijn Anna uit die liedjes opgediept. Ik tilde haar omhoog uit alleen die paar zinnen. Ik veegde de context van haar af en maakte haar van mij. Mijn onderbewuste gebruikte alleen wat nodig was.

Dus het is de verbeelding, denk ik. Natuurlijk: in de eerste plaats is het het onderbrokene – zeker in het lichaam waarin het onderbroken werd. Maar het manifesteert zich ook in ons vermogen te kunnen bedenken waar het ononderbroken naartoe had kunnen gaan. Wat er was geweest. Wat er na die openingszin allemaal had kunnen gebeuren.

Het doet pijn. Maar het helpt ook. Er is iets niet, maar omdat ik heb bedacht wát er niet is, is het er. De leegte heeft een vorm.

„Verdomme, ik mis het gewoon”, schrijf ik die vrijdag in mijn dagboek. „Het vooruitzicht. Dat het zo wás.”

Als ze een maand later toch weer zwanger wordt, durven we het eerst niet voor ons te zien. We onthalen het voorzichtig, bang ons nog eens open te halen aan hetzelfde scherpe uiteinde. Ik herken in het klein wat Marjolijn de Cocq in het groot beschrijft in Maar ik hield wel al van je, over haar vier miskramen. Hoe vaker en hoe later in de zwangerschap het je overkomt, hoe langer je bang blijft, denk ik. Toen haar gezonde zoon werd geboren, ze was kort na twee miskramen weer zwanger geworden, durfde De Cocq heel lang niet zonder voorbehoud van hem te houden. Zelfs toen hij al drie jaar oud was, schreef ze nog in haar dagboek: „Ik hou maar het gevoel dat je me nog een keer gaat worden afgepakt.”

Met onze woordkeuze, de manier waarop we erover praten, blijven we het de eerste weken zo veel mogelijk abstract houden. Het is een ‘vrucht’, geen baby. Het is een ‘prille zwangerschap’, geen broertje of zusje voor Esper. Het is een ingeslagen weg, maar we noemen de eindbestemming niet. Het voelt vreemd gepast dat de verloskundige wat ze op het scherm laat zien bij onze eerste afspraak, met zeven weken zwangerschap, jargonnig „hartactie” noemt.

Maar het leeft. We zien het. Een klodder leven in een donkere halve maan.

„Gefeliciteerd”, zegt de verloskundige.

En in zekere zin begint het daar pas. We lopen de ruimte uit met een zekere opluchting, en toch – hoe hou je het tegen, want geluk went te snel – ook alweer met de gedachte dat het altijd zo af zou lopen.

Tot ik, terwijl mijn vrouw aan de balie een nieuwe afspraak inplant, even bij de wand met aan de praktijk gestuurde geboortekaartjes sta. In het midden hangt een kaartje, hoog, rechthoekig. Het is voor een jongetje, half april geboren. Er zit een extra kaartje aan vastgemaakt met een ovalen paperclip, afgeronde hoeken, niet groter dan een visitekaartje. Er staat op: „Anders dan gehoopt”.

Achterop een tweede datum, zes dagen later.

Ondanks alles: verbeelding, verwachting. Het leven blijft zich maar vertakken

Maar je stopt er niet mee, je leert het niet af. Ik denk aan een passage uit de roman Expectation van Anna Hope – een veelzeggende titel in zichzelf. Hannah, een van de drie hoofdpersonen, loopt door haar onberispelijke, prachtige appartement in Londen. De verteller wijst het je allemaal aan: het vloerkleed, gekocht in het Atlasgebergte omdat de verkoper zei dat het geluk zou brengen. De sofa waarop ze zat na de ivf-behandeling, de positieve test in haar hand. De badkamer waar haar lichaam zich drie weken later ontdeed van een bloedprop. „But wait, here – come”, zegt de verteller, en de lezer wordt meegenomen naar een kleine slaapkamer, nog altijd vol in het licht, „nothing in it but a quiet sense of expectation”.

Ondanks alles: verbeelding, verwachting.

Aan het eind van haar memoires schrijft Hilary Mantel dat ze het kind mist dat ze nooit heeft gehad; ze noemt haar Catriona, ze zou „kunnen autorijden en zuiver zingen en dingen kunnen zoals gordijnen maken, waar ik nooit toe in staat ben geweest”.

In Expectation dreigt de kinderwens alles in Hannahs leven op te slokken. Hilary Mantel werd onvruchtbaar door een operatie toen ze zevenentwintig was, nadat haar endometriose eerst jarenlang niet serieus was genomen door veelal mannelijke dokters. Ik haal die passages niet aan om wat ons is overkomen aan dat verdriet gelijk te stellen, of aan dat van hen die meerdere miskramen kregen, of later in de zwangerschap, of aan dat van hen die hun geboortekaartje van een treurig bijvoegsel moesten voorzien. Ik haal de passages aan omdat ze me, net als die liedjes, hielpen nadenken. Elk verlies bestaat voor een deel uit iets dat zich terugtrekt uit de toekomst.

We nemen Esper mee naar de tweede echo, met elf weken zwangerschap. Nerveus, alsof hij niet weet waarom het spannend is maar dat wel aanvoelt, huppelt hij heen en weer tussen het grote scherm en het IKEA-speelkeukentje dat naast de behandeltafel staat. Hij kijkt mee op het scherm en ziet het nu ook.

Die avond horen we dat hij in bed nog ligt te praten. We luisteren mee aan de andere kant van de deur. We horen dat hij zegt: „Ik kan niet wachten tot de baby er is.”

Begin september zijn we bij het echobureau. Tien, twaalf minuten gaan voorbij voordat het goed te zien is. Dan zegt de echoscopiste: „Ik dénk dat jullie een meisje krijgen.”

’s Avonds zegt mijn vrouw dat ze het zo’n gekke gedachte vindt: als het die eerste keer goed was gegaan, hadden we deze nooit gehad.

En dat is waar, natuurlijk. Onbewust heb ik lange tijd gedacht dat het zich die ochtend in mei uitsplitste in twee mogelijkheden, in een wel en een niet, en dat we sindsdien met die uitkomst te maken hebben. Natuurlijk is het zo eenvoudig niet, want sindsdien heeft het leven zich nog ontelbare keren vertakt. Het blijft maar allerlei kanten op groeien.

Illustraties Jasmijn van der Weide