Analyse

Dit videokunstwerk duurt ruim zes uur. Na afloop ben je een levenservaring rijker

Wereldkunst #33 Sommige videokunstwerken duren uren. Waarom eigenlijk en wie heeft daar zin in? Wie de tijd neemt voor de ruim zes uur durende A Lot of Sorrow van de IJslandse kunstenaar Ragnar Kjartansson komt tot een ontdekking.

Still uit het videowerk ‘A Lot of Sorrow’ van Ragnar Kjartansson, met de band The National.
Still uit het videowerk ‘A Lot of Sorrow’ van Ragnar Kjartansson, met de band The National.

De tijd schijnt zich niet te laten vangen. Maar je kunt het altijd proberen, en daarom ging ik naar De Pont in Tilburg om het videowerk A Lot of Sorrow van de IJslandse kunstenaar Ragnar Kjartansson en de Amerikaanse band The National te zien. In z’n volle 6 uur, 9 minuten en 35 seconden. Op een waterige dinsdagochtend betrad ik de ‘Lot of Sorrow’-zaal, in mijn tas drie mueslibollen en een flesje ijsthee, en nestelde me in de duisternis op het kale houten bankje. De film werd gestart. The National liep het podium op, zeven mannen in zwarte pakken en witte overhemden, en zette ‘Sorrow’ in, een van hun bekendere nummers. Kjartansson had het naar eigen zeggen uitgekozen omdat hij de melancholie erin zo mooi vindt: „Victor Hugo said that melancholy is the joy of being sad. There’s something so sad and beautiful and heartfelt about ‘Sorrow’, but also it’s joyful.” Uit de blikken en de lichaamstaal van The National-leden probeerde ik af te leiden hoe ze zich voelden – dik zes uur achter elkaar hetzelfde nummer spelen, continu, ze hadden ongetwijfeld geen idee waar ze aan begonnen. Ik evenmin.

‘Tijdwerken’ zijn een fascinerend genre binnen de beeldende kunst: films of video’s van twee, drie uur die je in theorie helemaal zou kunnen uitzitten, terwijl in de praktijk niemand dat doet. Te lang. Te veeleisend ook. Bij films tot, zeg, anderhalf uur doen kunstenaars meestal alsof er niks aan de hand is, maar daar voorbij wordt het ongemakkelijk en de onvervuldheid, het verglijden van de tijd vaak het onderwerp. Kjartansson is een specialist in het genre. Op zijn huidige solo in De Pont, die, jawel, ‘Time Changes Everything’ heet, draait naast A Lot of Sorrow ook Bliss (2019) met een totale lengte van 11 uur, 59 minuten en 25 seconden – zo lang is het museum niet eens open. Geen idee waarom ik eraan zou willen beginnen ook, maar toch heb ik, elke keer als ik in een museum of galerie zo’n marathonwerk tegenkom, een vaag knarsend schuldgevoel. Moet ik er toch niet eens voor gaan zitten, om de ambitie van de kunstenaar te belonen? Of verwacht de kunstenaar dat helemaal niet? Maar waarom bestáát het dan? Nu dacht ik het antwoord te weten: de lengte biedt je een belofte van unieke ervaring, waarbij de beleving van de tijd het onderwerp wordt. Door de tijd echt uit te dagen, en de kunstenaar erbij.

Serveren van hapjes

Wanneer doe je nou zes uur lang hetzelfde? Dat lijkt The National zich ook af te vragen. Het eerste half uur staan ze op het podium als een groepje duurlopers dat niet weet waar de finish is. De eerste tien uitvoeringen van ‘Sorrow’ lopen gedisciplineerd: de ritmesectie en de slaggitarist sparen hun energie, en ook zanger Matt Berninger doet het rustig aan. Alleen gitarist Aaron Dessner lijkt zich tot taak te hebben gesteld elke uitvoering uniek te maken: telkens een andere solo, dan weer spelen met een strijkstok, z’n gitaar, liggend op de grond. De zaal in het New Yorkse PS1 loopt langzaam vol, er waaien mistwolken over het podium. Ik probeer kleine gebeurtenissen, versies, variaties in m’n geheugen op te slaan, maar alles glipt weg op de stroom van de tijd. Bij de twintigste uitvoering, na een dik uur, klimt Kjartansson zelf het podium op en presenteert hapjes: dadels, stukjes banaan, sportvoedsel. Hij lacht ongemakkelijk, aan de ene kant duidelijk trots dat hij deze marathon heeft weten te organiseren, maar ook beducht om het continuüm van de band te verstoren, alsof zijn aanwezigheid de aanhoudende cadans zou kunnen torpederen.

Still uit het videowerk ‘A Lot of Sorrow’ van Ragnar Kjartansson, met de band The National.

Zeker één tijdkunstwerk is nog beter en beroemder dan A Lot of Sorrow: Christian Marclays The Clock (2010). Deze moderne klassieker is volledig opgebouwd uit (zo’n twaalfduizend) fragmenten uit bestaande speelfilms, waarin steeds een klok of een horloge figureert. Gezamenlijk vormen deze scènes een echte klok die exact de tijd aangeeft op het moment van kijken – de hele Clock duurt 24 uur. Maar het is vooral een meesterwerk van tijdsperceptie: de film vangt op sublieme wijze het verglijden van de tijd, doordat hij beelden uit de meest uiteenlopende tijdperken en culturen verbindt aan specifieke tijdstippen – opstaan, lunchen, naar bed gaan, alsof je heen en weer schiet over de hele aarde en over alle tijden en daar steeds dezelfde universele patronen aantreft. Tenminste, dat neem je aan, want er zijn maar weinig mensen die de hele Clock hebben gezien, dat kan alleen tijdens speciale 24-uurs-sessies. Daarmee houdt Marclay zijn toeschouwers óók een wortel voor, alsof hij wil zeggen: kijk, daar gaat-ie, de tijd, probeer hem maar te vangen.

Waar The Clock gaat over het verglijden van de tijd, waagt Kjartansson met A Lot of Sorrow juist een poging de tijd stil te zetten. Daarbij wordt hij vooral geholpen door herhaling. Allereerst lopen het begin en het einde van Sorrow perfect in elkaar over, waardoor er een eeuwige loop ontstaat, maar ook omdat Sorrow het vasthouden van de tijd als onderwerp heeft: de kernzin van het nummer luidt ‘I don’t want to get over you’. Kjartansson had ‘Sorrow’ naar eigen zeggen ook ‘al minstens achthonderd keer’ gedraaid voor hij The National uitnodigde: het blijven draaien van een favoriet nummer om een gevoel, een sfeer in de tijd vast te houden is enorm herkenbaar. Alsof de repeat-knop je in staat stelt het verglijden van de tijd terug te brengen tot behapbare brokken – al glippen de noten, de klanken, je nog steeds door de vingers.

Groundhog Day

Hoe langer ik in het zaaltje in De Pont zit, hoe duidelijker het wordt dat dit ook de crux is van A Lot of Sorrow: meeglijden of stilzetten? Je ziet het zelfs terugkomen bij de afzonderlijke leden van de band. De ritmesectie en Berninger lijken zich te hebben voorgenomen zo dicht mogelijk bij de kern, het fundament van het nummer te blijven – en zo weinig mogelijk te veranderen. De blazers en de sologitarist daarentegen gaan juist in verzet: zij maken van elke nieuwe versie een nieuwe gebeurtenis, solo’s, loopjes, verandering, leven.

Daarbij denk ik steeds vaker aan Groundhog Day, de filmklassieker waarin Bill Murray, in de rol van weerman Phil Connors, in één dag ‘opgesloten’ raakt: wat hij ook doet, hij wordt elke keer opnieuw wakker op 2 februari om zes uur ’s ochtends in het plaatsje Punxsutawney, waar hij verslag moet doen van het al dan niet verschijnen van de bosmarmot. Phils leven gaat door, sterker nog, hij vindt groei en verlossing, doordat hij er uiteindelijk in slaagt elke dag anders te maken. Precies wat The National doet. Ze moeten wel.

Elke keer als ik in een museum zo’n marathonwerk tegenkom, is er een vaag schuldgevoel

Verandering is leven. Daarom is het ook niet erg dat drummer Bryan Devendorf in nummer 53 een broodje achter zijn drumstel gaat zitten eten, en die versie dus drumloos verloopt. Dat Berninger soms op een monitor neerzijgt, dat ze drinken uitdelen aan de toeschouwers die al vanaf het begin voor het podium staan, dat de melancholie regelmatig wegsijpelt en plaatsmaakt voor routine. Want juist die dynamiek leidt er ook toe dat, zeker naar het einde, het aantal goede, scherpe, stuwende uitvoeringen van Sorrow toeneemt. Hun enthousiasme lijkt zelfs te groeien, alsof de band steeds dieper doordrongen raakt van de uniciteit van de sessie en zichzelf zo boven de lethargie van de herhaling uittrekt. Daar gaat het natuurlijk om: zet je de tijd stil, dan besta je voor eeuwig in een vacuüm. Benadruk je het verloop van de tijd, de verschillen, dan lééf je – de band kan niet anders.

Na ruim zes uur en negenennegentig Sorrow-versies verlaat The National het podium. Het publiek joelt en juicht, ze komen terug. Berninger gaat achter zijn microfoon staan en meldt droog: „We’re gonna do one encore tonight. It’s called ‘Sorrow’.” En daar is het dan, alsnog: een gevoel van ontroering, en van euforie. Ik snap ook wel dat dat komt doordat ik moe ben, murw, en iets anders wil dan een mueslibol, maar ook omdat deze zes uur me iets hebben gebracht – simpelweg doordat Kjartansson me heeft verleid de tijd een keer uit te dagen, hoe overzichtelijk ook. Als kunst mede bestaat om de toeschouwer bijzondere levenservaringen te bieden, dan is het uitzitten van A Lot of Sorrow de moeite waard.

Nu, bijna een maand later duikt Sorrow nog steeds op de vreemdste momenten op in mijn hoofd. Het gaat niet weg. Alsof Ragnar Kjartansson en The National een tijdscapsule vol melancholie in m’n hoofd hebben geplaatst, zonder de macht ’m uit te zetten of eraan te ontsnappen. ‘Sorrow’ zit vast, gaat door – I don’t want to get over you, inderdaad.

Ragnar Kjartansson: A Lot of Sorrow. T/m 29/1 in De Pont, Tilburg.
Lees ook dit interview: Melancholie en verveling zijn rode draad in het bizarre werk van Ragnar Kjartansson