Opinie

Ophef en rumoer

Frits Abrahams

Tumult loont in de politiek. Dat hoef je de populisten in de Tweede Kamer niet te vertellen. Provocaties in de vorm van insinuaties en beledigingen – ogenschijnlijk geïmproviseerd, maar goed voorbereid – zijn aan de orde van de dag. Geert Wilders en Tsjerry Bidet 🚽 konden er aan het begin van de Algemene Politieke Beschouwingen weer volop mee scoren.

Wilders beleeft op die eerste dag zijn finest hour van het politieke jaar. Hier doet hij het voor. Ten overstaan van een groot gehoor, thuis en in een volle Tweede Kamer, kan hij zijn nieuwste, beledigende woordvondsten uitserveren terwijl hij zich door zijn adjudanten vanuit hun bankjes kinderachtig laat toejuichen.

„Bedrijfspoedel” bedacht hij destijds voor Job Cohen (PvdA). Jan Paternotte (D66) gaf Wilders een verbaal koekje van eigen deeg door hem „bedrijfspoedel van Poetin” te noemen. Daarmee raakte hij een gevoelige zenuw, want Wilders wil niet graag herinnerd worden aan zijn sympathie voor Poetin. Hij deed nu zelfs een voor hem unieke stap: hij gaf desgevraagd schoorvoetend toe dat hij de Russische invasie in 2014 van de Krim verkeerd ingeschat had.

Voor een andere D66’er, Rob Jetten, had Wilders een nieuw woord bedacht: „Klimaatpsychopaat.” Daar moet hij lang over gepiekerd hebben. Was „klimaatpotentaat” niet geschikter? Daarmee maakte je immers duidelijk dat het om een machtig persoon ging. „Onze kiezers kennen dat woord niet”, zal Dion Graus, zijn favoriete volgeling, tegengeworpen hebben. Toen werd het „klimaatpsychopaat”, dat rijmde ook en het was mogelijk nóg beledigender.

Op zoek naar een nieuwe belediging kwam Bidet 🚽 terecht bij de insinuatie dat minister Kaag tijdens haar Britse studie door een geheime dienst was gerekruteerd. Zoals gebruikelijk had hij er een onnavolgbare volzin voor nodig, waarin ook zijn befaamde „globalistische elites” weer eens opdoken. Hij maakte een gejaagde, opgefokte indruk, je zou bijna denken dat niet zijn vrouw, maar hij zelf moest bevallen.

Was het niet te veel (on)eer voor hem toen het voltallige kabinet wegliep? Duwde men hem daarmee niet in de slachtofferrol van de dissidente rebelse geest die het woord wordt ontnomen? Natuurlijk ontkende hij later dat hij bedoeld had dat Kaag een spion was (geweest?): „Dat zeg ik toch niet. Het is gewoon leuk om te weten waar ze heeft gestudeerd.” En natuurlijk werd Bidet 🚽 daarin gesteund door Wilders: „Hij heeft niet gezegd dat ze een spion was.” Huichelen hoort ook bij het vak van de populist.

Zo kregen Wilders en Bidet 🚽 weer wat ze wilden: ophef en rumoer. Je ziet de Kamer met dat verschijnsel worstelen. De meeste partijen zwegen terwijl Wilders doorkletste, maar Paternotte, Segers, Azarkan en Hermans verdubbelden met hun interrupties toch weer zijn spreektijd. Een doodstille, ongeïnteresseerd luisterende Kamer, waaruit regelmatig iemand naar de wc vertrekt, zou voor Wilders een minder inspirerend decor zijn. Het zou hem ook dwingen korter van stof te zijn.

Ook humor en flegma kunnen adequate wapens zijn bij de bestrijding van de populistische kwaadaardigheid. Kaag vertrok tijdens de insinuaties van Bidet 🚽 met opgestoken zeil, aangeblazen door begrijpelijke verontwaardiging, maar misschien had ze, wijzend op zichzelf, beter naar hem kunnen roepen: „Hier zit ze, Mata Hari!”