Judith Koelemeijer

Foto Merlijn Doomernik

Interview

Judith Koelemeijer: ‘Ik wilde Etty Hillesums keuze beter begrijpen’

Biograaf Judith Koelemeijer schreef een biografie van Etty Hillesum, de Joodse dagboekschrijfster die niet onderdook en werd vermoord in Auschwitz. „Etty wilde het lot van haar volk delen. Dat bevreemdde me aanvankelijk.”

Waar ben je nu eigenlijk bang voor? De redacteur van haar uitgeverij had het haar eerder gevraagd. En die nacht zei ze het ook tegen zichzelf. Want bang was ze.

Judith Koelemeijer, schrijfster van bestsellers, had zich teruggetrokken in het klooster van de zusters karmelietessen in Vogelenzang om te werken aan een nieuw boek: een biografie van de Joodse dagboekschrijfster Etty Hillesum. Dat het in een klooster gebeurde, daar moet Judith Koelemeijer wel een beetje om lachen als ze het vertelt. Etty Hillesum was religieus en schreef dat ze vaak verlangde naar „een kloostercel met een bed en boeken langs de muren”.

„Het is geen klooster waarin je wordt opgenomen hoor”, zegt Koelemeijer, „je boekt het gewoon via Airbnb. Het zal in de herfst van 2020 zijn geweest, in coronatijd. Alles was gesloten, je kon nergens een hapje eten, alleen een maaltijd opwarmen met de magnetron. En het was koud. Ik zag het niet meer zitten. Mijn man Vuk zei door de telefoon: wij redden het hier wel, maar kom maar even.”

Koelemeijer woont met haar man en twee kinderen in Amsterdam. Vogelenzang, onder Haarlem, is niet ver.

„Ik haalde thuis een straalkacheltje op en ging weer terug. Maar ’s nachts kon ik niet slapen. En toen had ik echt even het gevoel dat ik met Etty sprak. Ik zei: waar ben ik eigenlijk bang voor?”

Dat praten had overigens niks spiritueels. Sommige biografen praten misschien met hun hoofdpersoon, Judith Koelemeijer niet. Het was meer: praten tégen.

Waar wás je bang voor?

„Ik worstelde enorm met de last van Etty. Zij is voor veel mensen belangrijk. En ik liet me te veel intimideren door al het onderzoek dat er al was, alle meningen die er al waren, al die belangrijke mensen die zich al over haar hadden uitgesproken. En wie ben ik dan, dacht ik: een meisje uit de polder? Het was een worsteling. Maar aan het eind van die nacht was het over. Ik dacht: ik ga gewoon mijn verhaal schrijven.”

Etty Hillesum (1914-1943) is niet zo bekend als die ándere Joodse dagboekschrijfster. Maar haar dagboek, dat in 1981 voor het eerst werd gepubliceerd, is ook door miljoenen mensen over de hele wereld gelezen. En veel lezers plaatsen haar op een voetstuk.

Uniek is de openhartigheid, zeker voor een vrouw in die tijd, waarmee Hillesum schreef over haar gevoelsleven. Over haar minnaars – soms meer dan één in dezelfde periode. „Ik heb mijn lichaam gebroken als brood”, schreef ze, „en uitgedeeld onder de mannen. Waarom ook niet, ze waren immers hongerig en hadden al zo lang ontbeerd?”

En dan is er natuurlijk de oorlog.

Maar vooral haar geloof spreekt tot de verbeelding. Terwijl de nazi’s haar vrijheid bedreigden, raakte Etty Hillesum ervan overtuigd dat ze echte vrijheid alleen kon vinden in zichzelf. Meer en meer, schrijft Koelemeijer, vertrouwde zij erop dat ze aan het gevaar van buiten „geestelijk weerstand zou kunnen bieden en dat er, ondanks de voortdurende inperking van haar vrijheden, binnen in haar een ruimte groeide waar ze altijd en onder alle omstandigheden een toevlucht zou kunnen vinden, als in een stille, onverwoestbare kathedraal. Er was geen ander antwoord op de terreur, hield zij zichzelf voor, dan de weg naar binnen te volgen, en de haat uit te roeien waar deze begon: in de harten van de mensen, om te beginnen bij jezelf. ‘Dat diepste en beste in zichzelf’ durfde Etty steeds openlijker God te noemen.”

Cruciaal in het leven van Etty Hillesum was de ontmoeting in 1941 met de Duitse ‘psychochiroloog’ Julius Spier, een therapeut die handen las. Hij spoorde haar aan een dagboek te beginnen en in navolging van hem ging ze de Bijbel lezen. Als onderdeel van de therapie rolde hij ook met zijn patiënten – veelal jonge vrouwen – over de vloer. ‘Worstelen’ noemde Etty Hillesum dat. Ze werd verliefd op Spier, hoewel ze al een relatie had met Han Wegerif, bij wie ze in huis woonde. Beide mannen waren enkele tientallen jaren ouder dan Hillesum, die 26 was op het moment dat de oorlog uitbrak. Wegerif was toen al in de zestig.

Judith Koelemeijer werkte nog nooit zo lang aan een boek. Tien jaar geleden, in 2012, werd ze benaderd met de vraag of ze een biografie wilde schrijven van Hillesum. Ze was toen nog bezig aan haar autobiografische boek Hemelvaart. Daarin vertelt ze een verhaal uit haar jeugd, over een vakantie met vriendinnen in Griekenland waar één van hen, Annette, verongelukte. Vanaf 2015 werkte ze fulltime aan de biografie.

Het dagboek van Etty Hillesum had Koelemeijer als twintiger gelezen. „Het stond hier boven in de kast, met tape eromheen om het bij elkaar te houden”, zegt ze in haar woning in Amsterdam.

We zeggen ‘je’ tegen elkaar, omdat we in 1994 vijf maanden in elkaars nabijheid verkeerden toen we in een klasje voor jonge journalisten zaten. In mijn herinnering, zeg ik, was ze toen serieus en gedreven, héél anders dan de wat zweverige en zoekende Etty Hillesum. Als één van de eersten van dat klasje had ze een baan, bij de Volkskrant, waar ze onder meer voor de kunstredactie werkte voordat ze ontslag nam om haar debuut Het zwijgen van Maria Zachea (2001) te schrijven. Daarin vertelt ze het verhaal van haar grootmoeder, door de ogen van haar twaalf kinderen.

Hoe las je het dagboek van Etty Hillesum als twintiger?

„Ik herkende veel in haar. De zoektocht naar innerlijke rust, het gevoel dat je jezelf in de weg zit, het gerommel met minnaars. En haar verlangen naar schrijverschap. Daar identificeerde ik me mee.”

Wilde je toen ook al schrijver worden?

„O ja. Maar ik had geen idee hoe ik dat moest aanpakken. Ik kende geen andere mensen die dat deden. Ik heb echt geweldige ouders en ik heb een liefdevolle jeugd gehad. Maar het was voor mij niet vanzelfsprekend dat ik die weg zou inslaan. Er werd bij ons thuis wel gelezen hoor. Christiane F., Yvonne Keuls – The happy hooker van Xaviera Hollander mocht ik als vijftienjarige ook gewoon lezen. Maar geen klassieke schrijvers, geen klassieke muziek.

„De journalistiek was een fantastische opstap. Maar toen ik bij de Volkskrant kwam was ik best onzeker. Bij de kunstredactie ging het vaak over schrijvers van wie ik nog nooit had gehoord. Ik keek op tegen collega’s. Gelukkig heb ik altijd heel hard kunnen werken. Ik heb mezelf cultureel opgevoed, zou je kunnen zeggen.

„Het was heel belangrijk dat ik Vuk tegenkwam, mijn man. Vuk komt uit een heel kunstzinnig milieu. Zijn moeder was prima ballerina in Sarajevo, zijn vader was filmmaker. Míjn vader was goed in geld verdienen. Vanaf zijn twaalfde legde hij tuinen aan, elke dag met een schoffel op zijn rug naar de dokter en de notaris – dat waren de mensen tegen wie hij opkeek. Toen ik ontslag nam bij de Volkskrant om Het zwijgen van Maria Zachea te schrijven, vond ik dat een enorme stap. Ik had een vast inkomen, dat ga je toch niet opgeven?

„Vuk is filmmaker en hij moet ook hard werken. Maar voor hem zijn dingen vanzelfsprekender. Hij zei: als je een boek wil schrijven dan doe je dat toch?”

Durfde je vroeger te zeggen dat je schrijver wilde worden?

„Nee, dat sowieso niet. Ik was journalist, dat was een fantastische camouflage. In feite ben ik dat ook nog steeds, want dit boek is op een heel journalistieke manier tot stand gekomen.”

In een documentaire die de NOS vorig jaar op Dodenherdenking uitzond is te zien hoe Koelemeijer te werk ging. Als een detective zocht ze in alle hoeken en gaten naar stukjes van een puzzel. In de VS bezocht ze het huis van Etty’s vriendin Leonie Snatager. Het was een rommelig huis, Leonies zoon had het niet opgeruimd nadat zijn moeder was overleden. Met toestemming van de zoon trok Koelemeijer kastjes en laatjes open. Ze vond een dagboek van Snatager, die net als Hillesum in behandeling was bij Julius Spier. „Het lag gewoon naast de shampooflessen.”

Etty Hillesum is een dik boek geworden, het dikste boek dat Koelemeijer tot nu heeft geschreven, ruim vijfhonderd pagina’s. Maar het leest vlot: Koelemeijer heeft een schrijfstijl waar menig historicus jaloers op zal zijn.

Koelemeijer is geen historicus – ze studeerde Nederlands en culturele studies – maar haar biografie kan de toets der kritiek van academische historici doorstaan. Alles is gedocumenteerd en verantwoord in een uitgebreid notenapparaat. Koelemeijer weerstond de verleiding onbekende details in te vullen.

Het boek zit slim in elkaar. Aanvankelijk had Koelemeijer gekozen voor een traditionele, chronologische aanpak. Maar dat werkte niet. Het probleem was, legt ze uit, dat Etty Hillesum pas in 1941, via haar dagboek, begon te „praten”, twee jaar voor haar dood. De eerste hoofdstukken dreigden saai te worden. Koelemeijer heeft dat opgelost door het dagboek vanaf het begin als uitgangspunt te nemen. Ze vertelt wat Etty daarin schrijft, en van daaruit stapt ze regelmatig terug in de tijd om het te hebben over haar Russische moeder, haar vader die leraar klassieke talen was, het Joodse milieu waarin ze opgroeide, haar vriendschappen met linkse activisten, haar minnaars, en over de context van de oorlog. Bijkomend voordeel van deze aanpak is dat je de biografie ook heel goed kunt lezen als je niet eerst het dagboek gelezen hebt.

Wat dacht je toen je het dagboek na al die jaren opnieuw las?

„Ten eerste viel me op hoe ontzettend goed het geschreven was. Maar verder ervoer ik vooral vervreemding. Ik had heel erg veel vragen.

„De belangrijkste vraag was natuurlijk hoe ze tot haar uiteindelijke keuze gekomen was om niet onder te duiken. Dat ze zei: ik wil het lot van mijn volk delen. Van alle kanten werd haar de mogelijkheid geboden onder te duiken. Maar ze wilde solidair zijn met haar Joodse lotgenoten. Dat leek me zo onlogisch. Daar begreep ik eigenlijk helemaal niks van. Ik dacht: als ik nou haar hele leven in kaart breng dan vind ik hopelijk, nou ja, niet hét antwoord, maar dan kan ik laten zien welke invloeden er in haar leven waren die maakten dat ze uiteindelijk alleen maar deze weg kon bewandelen.”

„Veel vrouwelijke lezers ervaren Etty als een vriendin. Dat had ik niet. Ik kan me goed voorstellen dat ze niet voor iedereen prettig gezelschap was. Ik bewonder haar niet. Wel vind ik haar ongelooflijk interessant. Ze is meedogenloos eerlijk en spaart zichzelf niet. Ze gunt je een blik in haar hoofd door dingen te vertellen die je je beste vrienden niet vertelt. Die zíj haar beste vrienden ook niet vertelde.”

Is ze ook zo relevant dat je dacht: daar wil ik wel jaren van m’n leven aan besteden?

„Ja, toen ik haar dagboek in de jaren tachtig las was het een beetje een hype. Het werd doorgegeven in mijn vriendenkring. Dat is verdwenen. Maar ze is een belangrijke stem, in de Nederlandse literatuur, in de geschiedenis van de Holocaust, die het verdient om voor een breder publiek toegankelijk te worden gemaakt. Die stem is alleen maar actueler geworden in de zeven jaar dat ik hier aan heb gewerkt. Het is weer oorlog in Europa, dat hadden we ons toch niet kunnen voorstellen?”

Haar stem is alleen maar actueler geworden in de zeven jaar dat ik hier aan heb gewerkt

Judith Koelemeijer

Aan deze zin in je boek bleef ik hangen: „In veel levens bestaat een kantelpunt. Een punt waarop alles zo ingrijpend verandert, dat je voortaan kunt spreken van een ‘ervoor’ en een ‘erna’.” Ik dacht: dat kun je alleen opschrijven als je dat zelf ook hebt ervaren.

„Ja. Ik denk dat er mensen zijn die niet op dat punt geweest zijn. Maar ik heb dat heel sterk gezien bij mijn man Vuk, die is vluchteling uit Sarajevo en heeft een leven ervoor en erna. Daar hebben we veel over gesproken. En in mijn eigen leven zie ik dat natuurlijk heel duidelijk met de dood van Annette in Griekenland. Dat was voor iedereen die daar bij betrokken was een levensveranderende ervaring.”

Voor Etty verandert alles na haar ontmoeting met de ‘handenlezer’ Julius Spier. Wat denk jij van hem, met al die jonge vrouwen om hem heen?

„Vandaag zou hij natuurlijk aan alle kanten aangeklaagd worden. Er wordt geworsteld en tegen elkaar aan gelegen, al had hij met niemand een relatie zoals met Etty. Maar ik ben ervan overtuigd geraakt dat hij een grote gave had om mensen te doorzien, door intuïtie en levenservaring. Dat heb ik niet zelf bedacht, dat heb ik in tal van verklaringen gelezen.

„De zoon van Leonie, Etty’s vriendin, vroeg op het sterfbed van zijn moeder: maar mam, dat met die Spier, die hocus pocus met die handen, hoe heb je daar ooit in mee kunnen gaan? Toen werd zijn moeder heel boos. Ze was nuchter, echt een bèta-mens, ze bouwde computers, maar ook zij zei: die man heeft me zo goed geholpen, die zal ik mijn leven lang niet vergeten.”

Hoe belangrijk was het dat je dat dagboek van Leonie vond?

„Ik schrijf vaak vanuit een meervoudig perspectief. In Het zwijgen van Maria Zachea vertelde mijn vader dat het altijd zo gezellig was in dat grote gezin waarin hij opgroeide, terwijl zijn één jaar oudere broer vertelde dat hij zich heel eenzaam voelde. Dat kan allebei waar zijn. Voor dit boek was het belangrijk ook de vrienden van Etty een stem te geven. De werkelijkheid is veelkleurig. Dus met het dagboek van Leonie was ik heel blij. Zij is de klassieke tegenspreker in het verhaal.”

Leonie trok lange tijd samen op met Etty, die overtuigd was van een Massenschicksal: ze zag de deportaties als een noodlot dat alle Joden trof en dat zij samen moesten dragen. Daarom besloot Etty niet onder te duiken. Leonie deed dat uiteindelijk wel en overleefde de oorlog.

Er waren nogal wat mensen in Etty’s familie die kampten met geestesziekten. Is er een moment geweest waarop je dacht: ze was gewoon gek?

„Nee. Je mag nooit vergeten: mensen wisten in die tijd niet wat hen te wachten stond in Auschwitz. Etty wist wel dat het haar ondergang kon worden. Maar er was altijd hoop. Hoop dat ze er doorheen zou komen, en dat ze ervan zou kunnen getuigen. Want dat was wat ze wilde, ze wilde de kroniekschrijver van de Joodse lotgevallen worden.

„En onderduiken was niet zonder risico. Daarom aarzelde Leonie ook. Wie onderdook en werd gepakt, werd door de nazi’s bestempeld als ‘strafgeval’, en was zijn lot al helemaal niet zeker.

„Ik heb vooral geprobeerd zoveel mogelijk feiten uit te zoeken. Ik heb nergens willen oordelen.”

Vanaf het moment dat Etty in de trein naar Auschwitz stapt ben je haar kwijt. Dan is er geen dagboek of brief meer. Denk je dat ze haar geloof tot het einde heeft vastgehouden?

„Nadat ik in Auschwitz was geweest heb ik weken niet geslapen. Ik vond het zo gruwelijk. Ik had alleen maar het gevoel: hier houdt alles op. Hoe Etty dat heeft ervaren, daar is geen zinnig woord over te zeggen. Ik vind het echt aanmatigend om dat te doen. Ik kan alleen maar hopen dat ze haar geloof heeft vastgehouden. Ik vond het wel belangrijk om ook hier de feiten uit te zoeken.”

Na de oorlog kreeg Etty Hillesum van het Rode Kruis een administratieve sterfdatum: 30 november 1943. Maar het is mogelijk dat zij al na aankomst van het transport in september voor de gaskamer werd geselecteerd. De archieven geven geen uitsluitsel. Koelemeijer: „Ik vond het schokkend om te lezen dat heel wat jonge mensen zonder dat ze het doorhadden aan de ‘verkeerde kant’ terechtkwamen – bijvoorbeeld omdat ze vrouwen met kinderen of ouderen wilden helpen. Het was gewoon chaos. Maar dat is zo vaak als je de werkelijkheid onderzoekt: hoe meer je je loep erop richt, hoe onduidelijker het eigenlijk wordt. Er is meer van toeval afhankelijk dan we vaak denken. Maar dat vind ik ook het mooie van non-fictie. Hoe ongerijmd de werkelijkheid vaak is en hoe onbegrijpelijk.”

Foto’s Merlijn Doomernik.