Opinie

Elke rat in de stad laat zien: het sociaal contract is kapot

Column Rotterdam

Op de stoep voor ons huis is een rat komen wonen. Het diertje heeft een holletje gegraven tussen de wortels van de stokrozen en de oranje glasvezelkabels in. Zijn snuitje zie ik zelden, ik vermoed dat het beestje ’s nachts uit eten gaat bij de vuilniscontainer.

Bang voor de rat zelf ben ik niet, wel voor een opmerking van een wethouder, van jaren geleden al, zijn naam doet er gelukkig niet meer toe. Het ging over de Tweebosbuurt, inmiddels een voldongen, kale vlakte, maar toen was nog de vraag of het wel slim was om woningen te slopen waar mensen graag in woonden en huizen te bouwen voor mensen met meer geld. Jawel, zei de wethouder tegen het AD, „sommige huizen zien er van buiten goed uit, maar als je goed kijkt, zie je de ratten gewoon lopen. Dan zeg ik: dit kan niet. Hier moeten gewoon betere huizen komen.”

Ratten schieten hier langs als schimmen uit het Londen van Charles Dickens

Sindsdien zie ik ratten als een veeg teken, voorafschaduwing van sloop. Maar ja, dan zou je de halve stad kunnen neerhalen, want ratten zijn overal: in Ommoord en op het Afrikaanderplein, rond de Markthal en op de Erasmus Universiteit. Ze schieten langs je benen als negentiende eeuwse schimmen uit het Londen van Charles Dickens.

Waarom tieren ze zo welig? Omdat burgers vuilniszakken naast de container plaatsen, las ik. Maar waarom plaatsen die burgers hun zakken dan niet in de container? Omdat die vaak vol zitten. Maar waarom zitten die containers zo vaak vol?

Lang verhaal. Het begon in de jaren tachtig, toen de overheid muteerde: van hoeder der burgers naar bondgenoot van marktpartijen. De overheid verschraalde, een geloof in efficiency, privatisering en automatisering zei dat alles goed kwam. Sindsdien gingen vuilniscontainers ondergronds, kwamen er gedichten op Roteb-vuilniswagens, kwam er een BuitenBeter-app, kwamen er slimme camera’s en pientere sensoren, volgden er bezuinigingen, nog meer bezuinigingen, verdween de trotse Roteb, kwamen er containeradoptanten en undercover boa’s, kwamen er boetes voor ‘naastplaatsingen’, nog hogere boetes – het korte verhaal is dat vuilcontainers nu niet meer op tijd worden geleegd.

Natuurlijk heb je sloddervossen en aso’s, natuurlijk heb je mensen met andere sores dan het netjes aanbieden van vuil. Maar een burger die met een vuilniszak over straat sjouwt is doorgaans op weg om het goede te doen – vanwaar anders dat sjouwen – om echter te stuiten op de verzakende overheid: volle container. Naastplaatsers beboeten is goedwillenden straffen.

Er is nu een wethouder die de zoveelste techno-fix presenteerde: ‘digitale boa’s’, ofwel auto’s met camera’s die werkelijk waar zo slim zijn dat ze zien wat ieder ziet: te veel troep op straat. Het experiment begint in Feijenoord en Crooswijk. ‘Meer boetes en minder vuil’, tweette een gemeenteraadslid, ‘Dat kunnen deze wijken wel gebruiken.’ Onhandige verspreking, vond het gemeenteraadslid later zelf ook.

Kort daarvoor had de Rekenkamer een rapport gepresenteerd over de Woonvisie, het beleid achter de sloop van de Tweebosbuurt. Het beleid was op drijfzand gebaseerd, concludeerde de Rekenkamer. De gemeente luisterde beter naar marktpartijen dan naar eigen burgers.

Zowel het zinloos slopen van huizen als het laten verslonzen van de straat zijn symptoom van een overheid die kerntaken verwaarloost. Elke rat in de stad en elke zwervende afvalzak getuigt van een kapot sociaal contract.

Arjen van Veelen is schrijver en journalist