Massale migratie Germanen naar Engeland

Geschiedenis De Angelsaksische invasie van Engeland bestond uit een stroom van migranten, niet alleen uit een elite, blijkt uit dna-onderzoek.

Vrouwengraf op begraafplaats in Oakington (Cambridgeshire) (ca. 450-570), met graven van Britten, Germanen én mensen van gemengde afkomst.
Vrouwengraf op begraafplaats in Oakington (Cambridgeshire) (ca. 450-570), met graven van Britten, Germanen én mensen van gemengde afkomst. Foto Stephan Schiffels

In de vroege Middeleeuwen vestigde zich een gestage stroom Germanen in het dan nog voornamelijk Keltisch-Britse Engeland. Vooral in Oost-Engeland blijken mensen in de periode van 400 tot 850 gemiddeld voor driekwart verwant aan mensen die toen in Zuid-Denemarken, Noord-Duitsland en ook Noord-Nederland woonden. Een zwaartepunt van die afkomst lijkt te liggen in de huidige Duitse deelstaat Nedersaksen.

Deze ‘Angelsaksische’ invasie was niet kort en hevig in de vijfde eeuw, zoals in latere middeleeuwse kronieken wordt verteld, maar bestond dus uit een constante stroom zonder veel pieken en dalen. Tot in de achtste eeuw arriveren er ‘verse’ immigranten uit het continent in Engeland. Vóór de vijfde eeuw was deze continentale invloed juist afwezig, en de invloed ontbreekt ook in Wales, Ierland en Schotland.

Dit blijkt allemaal uit een analyse van dna dat geïsoleerd is uit vroeg-middeleeuwse graven van in totaal 460 mensen uit Engeland, Ierland en het continent. Een groot onderzoeksteam onder leiding van de bekende genetici David Reich (Harvard), Johannes Krause en Stephan Schiffels (beide Max Planck Instituut Leipzig) heeft dat deze week in Nature gepubliceerd.

Extreme culturele theorieën

Dat er in de vroege Middeleeuwen grote invloed was van continentale Germaanse cultuur op het voordien Keltisch-Britse Engeland is altijd evident geweest. Alleen al de snelle verspreiding vanaf de vijfde eeuw van de nieuwe Engelse taal en de nieuwe stijl van huizenbouw en allerhande sieraden zijn onmiskenbaar. Maar de verklaringen voor deze veranderingen varieerden altijd sterk.

Lange tijd werd uitgegaan van een massale invasie in de vijfde eeuw, na het vertrek van de Romeinse legioenen uit Britannië. De laatste decennia was een meer culturele theorie dominant: een kleine Germaanse elite-groep uit het continent, al dan niet afkomstig uit Romeinse hulptroepen, ging taal en cultuur sterk domineren. „De meeste extreme vorm van die verklaring werd onlangs naar voren gebracht”, zegt taalkundige en kenner van de vroege Engelse geschiedenis Thijs Porck (Universiteit Leiden). „Er zou vrijwel alléén culturele invloed zijn geweest, zónder migratie, met een centrale rol van het Germaans als handelstaal.”

Het nu gepubliceerde dna-onderzoek heeft die extreme culturele theorieën duidelijk weerlegd, zegt Porck. „Deze conclusies zijn koren op de molen van de aanhangers van migratie-theorieën.” Maar evenmin was er dus sprake van een duidelijke invasie, benadrukt hij: „Het vaak navertelde verhaal van de achtste-eeuwse monnik Beda Venerabilis, dat de Angelen, Juten en Saksen in de vijfde eeuw ieder in hun eigen boot landden en in Engeland in één keer de boel overnamen, klopt natuurlijk ook niet.”

Lees ook: Zo los-vast waren ze niet, die woestelingen aan de grens van het Romeinse Rijk

Ook met deze nieuwe gegevens zijn lang niet alle problemen opgelost, legt Porck uit. „Een van de belangrijkste redenen voor de theorie van een kleine elite-migratie, is het gegeven dat er in het Oud-Engels ontzettend weinig leenwoorden uit het Brits-Keltisch te vinden zijn. Als er vermenging van bevolkingen was geweest, zou je meer van dat soort woorden verwachten.”

Grafgiften

Want alleen een elite zou zijn taal zo compleet hebben kunnen opleggen, was de gedachte. „Maar ja, kijk nu: er blijkt juist wel sterke vermenging van de verschillende bevolkingsgroepen te zijn geweest. En in de grafgiften vind je ook al geen duidelijke continentale elite terug. Het taalkundige probleem is dus nog steeds niet opgelost: waarom zijn er zo weinig Keltische leenwoorden?”

Met dit nieuwe onderzoek is een vierde grote migratie naar Engeland in oud dna teruggevonden. Na de kolonisatie van Engeland door jagers-verzamelaars circa. 10.000 jaar geleden, arriveerden er 6.000 jaar geleden een grote groep neolithische boeren, met een herkomst in Anatolië. Die populatie werd later weer verstoord door een zeer grote migratie door leden van de klokbekercultuur, met een afkomst uit de steppen van Oost-Europa. Rond 1.000 voor Christus kwam er een derde migratie van waarschijnlijk ‘Keltische’ groepen uit Centraal-Europa.

Nu is er dus een grote ‘Germaanse’ invloed gevonden. Sinds de negentiende eeuw worden die immigranten ‘Angelsaksen’ genoemd, hoewel zij zich anders noemden (Anglecynn of Englisc). De laatste tijd wordt de term ‘Angelsaksisch’ vaker vermeden; die zou te veel associaties hebben met raciale en koloniale denkbeelden.

Intensieve vermenging

Naast de sterke Noord-Duitse immigratie naar Engeland, vond het team in dezelfde periode ook aanwijzingen voor sterke invloed in Zuid-Engeland vanuit het dan al door Franken gedomineerde Frankrijk. Over die zuidelijke migratiestroom zijn veel minder middeleeuwse bronnen, en is ook veel minder wetenschappelijke discussie gevoerd.

Grote scheidingen tussen de verschillende Britse, ‘Angelsaksische’ en ‘Frankische’ bevolkingsgroepen lijken er niet te hebben bestaan. Uit het dna-onderzoek komen juist sterke aanwijzingen voor intensieve vermenging van mensen met een meer Britse en mensen met een meer continentale, Germaanse afkomst. Op een ‘Angelsaksische’ begraafplaats in Buckland (bij Dover) is daarvan volgens de onderzoekers een eminent voorbeeld binnen één familie. Hier is sprake van vermenging tussen de verschillende groepen over drie generaties. In de mate van vermenging bestond geen verschil tussen mannen en vrouwen – terwijl in de bronstijd juist een sterke invloed van vooral steppemannen lijkt te zijn geweest. Het enige kleine verschil dat nu in dit verband is gevonden, is dat vrouwen met een grote continentale afkomst iets vaker grafgoederen lijken mee te krijgen.