Foto Frank Ruiter

Interview

Thijs de Zeeuw: ‘Ik ben een natuuroptimist, maar ’t gaat natuurlijk niet zo goed’

Thijs de Zeeuw (46) ontwerpt dierentuin-dierenverblijven: hij ziet het dier als opdrachtgever. Ook fantaseert hij over een dierentuin waar je je lichaam ter beschikking kunt stellen van de gieren.

Als je vanaf de metro komt, loop je eerst langs een omheind terreintje waar twee forse varkens scharrelen: Barry en Rosita. Maar zij zijn niet de reden dat landschapsarchitect Thijs de Zeeuw, gespecialiseerd in het ontwerpen van dierentuin-dierenverblijven, de VerbroederIJ in Amsterdam-Noord heeft uitgekozen om te lunchen. Het gaat hem ook niet om het stadsstrandje aan het IJ of de maatschappelijk betrokken activiteiten die het café organiseert. Nee, de VerbroederIJ, niet ver van zijn atelier, biedt „mooi zicht op de chemische fabriek van Albemarle”. En dat terrein, zegt hij, „is eigenlijk een heel mooi natuurgebied”.

De Zeeuw was me in juni opgevallen bij een avond in debatcentrum De Balie over relaties tussen mensen en andere dieren. Aanleiding was de nieuwe essaybundel van bioloog Tijs Goldschmidt, Wolven op het ruiterpad, en De Zeeuw koos in het debat steeds onbeschaamd en met pretlichtjes in zijn ogen de kant van de dieren.

Ik kende zijn naam: ik wist dat hij bij de Ambassade van de Noordzee hoort, wat betekent dat hij „in dialoog” wil met palingen en andere waterdieren om hen uiteindelijk politiek te kunnen vertegenwoordigen. Ik las in Trouw dat hij als „openingszin” voor die dialoog schuilkorven in het water heeft gehangen bij het Amsterdamse architectuurmuseum Arcam, waar hij vorig jaar architect in residence was. En dat komend najaar zijn ‘vrijwillige volière’ bij een hotel in Amsterdam-Oost klaar is: een open kooi waar stadsvogels vrij in en uit kunnen (maar waar niet louter grote groepen duiven komen ‘hangen’). Ik heb het project gezien waarmee hij vijf jaar geleden het nieuws haalde: het toen opgeleverde olifantenverblijf in Artis, vierduizend vierkante meter, op de voormalige parkeerplaats. Hij gaat trouwens ook de Artis-leeuwen opnieuw huisvesten, vertelt hij tegen het eind van ons gesprek.

En nu zit De Zeeuw (46), wild haar in verschillende grijstinten, kort baardje, wijd lichtgeel T-shirt, pastelroze sweater mee, verlekkerd te kijken naar een chemische fabriek. Hij was vorig jaar op het terrein, zegt hij. „Er groeien wilde orchideeën, er heeft een boomvalk lang gebroed, een havik heeft er gezeten en er zit een vossenburcht.” Hij heeft filmpjes van medewerkers gezien waarin een vos de bedrijfskantine binnenloopt. „Dus die stalen wildernis die ronkt en rookt, is ook een rustplek.”

Het terrein is natuurlijk niet vrij toegankelijk. In de fabriek worden katalysatoren geproduceerd om chemische processen in chemiebedrijven en raffinaderijen schoner te maken. Er wordt met gevaarlijke stoffen gewerkt. Maar de gemeente Amsterdam wil er wel een woonwijk naast bouwen: het Hamerkwartier moet ruim zesenhalfduizend nieuwe woningen krijgen, met woontorens op tweehonderd meter van de fabriek. Dit is precies het soort situaties dat De Zeeuw interessant vindt: een terrein vol onverwachte natuur in de stad, de tijdelijkheid ervan, hoe mensen zich ertoe moeten verhouden, en vooral: hoe dat schuurt.

Bij Albemarle, zegt hij, zijn ze „een soort van proactief bezorgd” over de geplande woonwijk. Bang dat als mensen er eenmaal wonen, ze tóch gaan klagen. „Maar als je nou kunt laten zien dat de fabriek ook iets te bieden heeft…” De Zeeuw zou er graag een bufferzone ontwerpen van stadsnatuur waar mensen wél in mogen. Hij hoopt dat de fabrikant dat interessant vindt. „Dat fabrieksterrein is waarschijnlijk het meest biodiverse gebied van de hele omgeving. Zo’n beeld van de natuur laten zien vind ik belangrijk.” Hij verzamelt niet-zielige verhalen over de natuur op zijn Instagram-account, @NatureOptimist. „Als tegenwicht: meestal is er pas aandacht voor de natuur als het slecht gaat.”

Daktuin

Er komt een mus naast het tafeltje zitten bedelen. Vergeefs: we hebben nog niets. De Zeeuw bestelt bij mij zijn falafelsalade en ginger ale zodat ik die kan betalen via QR-code. Landschapsarchitecten, legt hij daarna uit, maken „alles in de openbare ruimte wat geen gebouw is, van straatprofiel of park tot heel West-Europa”. Hij deed zijn afstudeerproject voor de Academie voor Bouwkunst bij Artis, een daktuin met stadsnatuur die niet doorging omdat hij gepland was voor boven op een parkeergarage die niet doorging. „Maar zo ben ik Artis ingerold, sindsdien ontwerp ik dierenverblijven.” Voor de olifanten dus, en de prairiehonden, Japanse kraanvogels, sneeuwuilen, reuzenschildpadden, kasuarissen (loopvogels) en onechte gavialen (een krokodillensoort).

Dierentuinen proberen vaak het landschap na te bootsen waar hun dieren in de natuur in leven, zegt hij. „Een stukje Congo.” Voor hem hoeft dat niet. „Ik denk liever: hoe kan ik zo’n dier een zinvol leven geven op een ieniemini stukje grond in een historische stad? En dat leidt in het algemeen niet tot het hercreëren van het Congolese regenwoud. Dat kost veel energie en vraagt om plantensoorten die het hier niet willen doen. Ik zoek: wat is híér een logisch landschap voor zo’n dier?”

Zijn olifantenverblijf is gebaseerd op „vermoedelijke wensen van de olifant”; hij ziet de dieren als opdrachtgevers. De olifanten kregen bijvoorbeeld een modderpoel, want in de natuur rollen ze graag in de modder: het was het eerste wat ze deden in het nieuwe verblijf. Hij liet ook 164 betonnen platen maken die als een soort grondlagen uit het landschap komen, in verschillende kleuren die in verschillende mate de warmte vasthouden, en met vier oppervlakteruwheden zodat de olifanten zich grover of fijner kunnen schoonschuren. En er is zwemwater.

Een dilemma, zegt hij nadat de serveerster onze ginger ales, zijn falafelsalade en mijn kimchitosti heeft gebracht, is of je moet zorgen dat het een dierentuindier aan niets ontbreekt. „Je dag is natuurlijk supersaai als alles veilig en geregeld is.” Dat besefte hij toen hij een verblijf voor de onechte gavialen ontwierp. Het doel was ze te laten paren, in het wild zijn er hooguit nog een paar duizend. „Maar hoe krijg je een krokodil in the mood?” Hij zocht naar „overlap tussen zijn en mijn beleving”. En dacht: „Seizoenen! In de zomer is er toch een meer uitbundige beleving van seksualiteit in the air.”

In de natuur kent de onechte gaviaal een droog en een nat seizoen, dus liet De Zeeuw regenmachines maken met „een lekker dikke druppel”, ontworpen door een sprinklerspecialist. Maar de krokodillen vonden het niks, die kropen meteen naar een droog stukje (en paren, ho maar). „Maar: als je net voor de bui binnen bent, voel je zeggenschap over je welzijn. Door een verblijf niet optimaal in te richten en verandering aan te brengen, geef je een dier ook die ervaring.” De olifanten gaf hij zelfs wat zeggenschap over het gebied buiten hun verblijf: gaat er een zwemmen, dan klotst het water over de verdiepte loopbrug waarop mensen naar hen staan te kijken. Lachend: „Volgens mij maken de olifanten soms bewust golven zodat mensen gaan gillen.”

Gaatje in geweten

De Zeeuw weet tot mijn verbazing af en toe een slablaadje door te snijden met de zijkant van zijn vork, gedrag dat ik nooit eerder een mens heb zien vertonen, zeker niet met succes. Maar ik vergeet er iets over te zeggen, want ik vraag me ineens af: heeft hij eigenlijk huisdieren? „Nee. Met ontwerpen voor Artis merk ik ook dat ik het best heftig vind om dieren op te sluiten en in hun vrijheid te beperken. Ik vind het interessant om me te verplaatsen in dieren, maar om dat voor mijn werk te doen vind ik wel genoeg. Mijn vriendin heeft wel een vogel, een shamalijster, ken je die?” Een mooie, roodzwarte tropische zangvogel met een lange staart. Ze laat hem soms vrij in de tuin vliegen, wat De Zeeuw „supereng” vindt, want ’s winters zou-ie het hier niet redden, buiten. Het beest mag hem niet (jaloers waarschijnlijk), maar: „Je voelt je toch verantwoordelijk.”

Zo zadelen mensen zich op, zegt hij, met een verantwoordelijkheid die zich uitstrekt van dierentuinen en de gezelschapsdierenindustrie tot het hele natuurbeleid. „Daar is het met de Oostvaardersplassen misgegaan. We wilden paarden laten verwilderen, maar we zijn niet gewend dat een paard een wild dier is. Paarden zien doodgaan omdat er niet genoeg eten is? Dat trekken veel mensen niet.” Terwijl: bij wilde herten met voedseltekort wordt alleen geprotesteerd als die afgeschoten moeten worden. „Wel het beste hertenvlees dat je kunt krijgen.” De Zeeuw eet vlees, ja, mits niet uit de bio-industrie. „Al denk ik dat ik er op een gegeven moment wel mee stop, dat is nog een gaatje in mijn geweten.”

Naast onze tafel bedelt een al bijna volwassen musje luid tjilpend bij zijn moeder, vleugeltjes trillend en wijd. „Zoek het zelf maar uit, opsodemieteren”, voice-overt De Zeeuw de moedermus, maar die geeft het kind uiteindelijk toch nog wat eten.

De Zeeuw noemt zichzelf een stadsmens, al bedoelt hij duidelijk stadsnatuurmens. Alleen tijdens zijn studie heeft hij een tijdje buiten Amsterdam gewoond: in Wageningen, voor zijn bachelor landschapsarchitectuur. Met zijn vader (sociaal geograaf) en moeder (psycholoog) keek hij al veel naar vogels en andere dieren en dat is hij altijd blijven doen. Hij telt ze ook. „In de tuin van mijn atelier”, zegt hij, „en ook een parkje in Noord waarvan ik denk: daar willen ze ooit gaan bouwen en dan moeten we kunnen laten zien dat hier twintig soorten wilde bijen wonen.” Lachend: „Want ik ben wel een natuuroptimist, maar het gaat natuurlijk niet zo goed.”

Mede vanwege zijn schuldgevoel over dierentuinen is hij met vrienden online denkplatform Zoo of the Future begonnen: „Ik vind dat landschapsarchitecten ook de vaardigheden en verantwoordelijkheid hebben mogelijke toekomsten voor te stellen.” In hun denkbeeldige toekomstdierentuin hadden ze voor de vale gieren een weide met hoge rotsen bedacht, een landschap waar je een mooie uitvaartceremonie kunt houden, waarna je het lichaam van de overledene aan de gieren kunt geven. „Of je dat wilt zien gebeuren is een tweede, maar onder de grond word je net zo goed opgegeten.”

Hij zei al: hij vindt het leuk als het schuurt. Misschien stopt hij in het nieuwe leeuwenverblijf van Artis ook wel wat kruidenrijke stukjes grasland, waar duiven en zangvogels op afkomen. Of een visrijke vijver, leuk voor reigers. „Een stukje stadsnatuur met één diersoort die er niet uit kan.” Hij zou het wel leuk vinden als zo’n goed doorvoede leeuw bij een vogel af en toe denkt: héé… beestjes! En dan zijn machtige klauw weer eens verheft.