Geraakt in zijn gezicht, vocht Jan door

Nomen est omen Karel de Grote en Ivan de Verschrikkelijke kent iedereen wel, maar er zijn nog veel meer heersers met opvallende bijnamen. stelt ze aan u voor. Deze week: een ridder die één keer te vaak gewond raakte.

Jan met de Kaak1483 - 1523
Jan met de Kaak1483 - 1523 Beeld Jan Mostaert, Collectie Museum De Lakenhal

Halverwege de zestiende eeuw verscheen Het Antwerps Liedboek, een bundel met teksten van 221 liederen. Eén van de gezangen ging over Charles van Bourbon, een legeraanvoerder van keizer Karel V die in 1527 was gesneuveld. Dit is het laatste couplet: ‘Wi moghen wel bedrijven rouwe/ Om Borbon den capeteyn goet/ Ende voor Wassenaer ghetrouwe/ Hi heeft oock ghestort zijn bloet/ Ter eeren den Keyser dat is waer!/ Men mocht geen getrouwer vinden/ Dan dese twee in’ t openbaer.’

Naast Charles is er in deze strofe sprake van ene ‘Wassenaer’, die het ook zwaar te verduren heeft gehad in dienst van de keizer. Wat de dichter niet vermeldt, is dat deze heren op een andere plek het leven lieten: Charles in Rome en Jan II van Wassenaer, want dat was zijn hele naam, vier jaar eerder in Leeuwarden.

Aan de stok

Zijn dood was niet de eerste keer dat Jan zijn bloed vergoot op het slagveld. In 1509 lag hij, toen 26 jaar oud, voor de muren van Padua. De stad was in handen van Venetië, dat het aan de stok had met onder meer het Frankrijk van Lodewijk XII en het Heilige Roomse Rijk van keizer Maximiliaan.

Half september werden de ladders tegen de muren gezet en bestormden de belegeraars de stad. Jan was erbij. De aanval liep uit op een catastrofe. De verdedigers schoten hun belagers naar beneden, en ook Jan werd geraakt – in zijn gezicht. Hij stortte bloedend ter aarde.

Het is allemaal te lezen in Tragiek en heldendom, het boek over Jan dat Louise van Wassenaer onlangs publiceerde. De onfortuinlijke krijger werd uit de greppel gevist en naar de ziekenboeg gebracht. Daar kreeg hij bezoek van keizer Maximiliaan zelf, een grote eer.

Jan, die burggraaf van Leiden was, liet zich door zijn verminking niet op de kop zitten

De artsen overzagen de schade. Jan had een gat in zijn wang, een gebroken kaak en was zeven tanden kwijt. Zo goed en zo kwaad als het ging werd de boel weer aan elkaar genaaid. Het leverde hem een litteken en de bijnaam Jan met de Kaak op.

Jan, die burggraaf van Leiden was, liet zich door zijn verminking niet op de kop zitten. Hij trouwde en kreeg kinderen – binnen en buiten de echt – en ging ook weer op veldtocht. In 1512 liep hij in een hinderlaag van Gelderse troepen. De Kaak werd gevangen genomen en vervoerd naar Hattem. Daar verbleef hij twee jaar in een kooi die was opgehangen aan het gewelf van de burcht de Dikke Tinne, tot hij voor 20.000 ponden werd vrijgekocht.

Vreemde witte vrouw

Een jaar later werd hij opgenomen in de zeer exclusieve Orde van het Gulden Vlies en benoemd tot stadhouder van Friesland. In 1523 kwam er tijdens de belegering van Sloten een vreemde witte vrouw op Jan af. Ze zei: „Waarheen gaat gij kind des doods? Wat hebt gij in en met Friesland te maken? Hier en nergens anders zult gij omkomen.”

Meteen hierna werd hij getroffen door een kogel. Het lukte een chirurgijn het lood te verwijderen en de wond te hechten, maar toen hij een paar dagen later de arm probeerde recht te trekken, sprong de wond weer open. Er ontstond een ontsteking waaraan Jan bezweek.