Daar lag zijn dochter, zijn burger, zijn Nederlander, in de vorm van een papiertje

Het ding De spullen om ons heen en de dingen die we gebruiken: ze laten zien wat we belangrijk vinden en hoe de wereld verandert. Deze week: de geboorteakte.

Foto Getty Images, bewerking NRC

Onlangs kreeg mijn neef zijn eerste kind. Hij nodigde me uit om mee naar het stadhuis te gaan om het kind aan te melden bij de gemeente. Een plechtig moment, dat hij nog plechtiger wilde maken door erheen te lopen. Toen we het stadhuis betraden, liet hij me een brief van de gemeente zien. Het onderwerp: ‘erkennen ongeboren vrucht’. „U heeft aangegeven”, las ik, „de ongeboren vrucht waarvan onderstaande moeder zwanger is te erkennen.” (Deze erkenning is nodig voor ongetrouwde stellen; bij een getrouwd stel wordt die erkenning vanzelfsprekend geacht.) Mijn neefs handtekening stond eronder: die krabbel betekende dat hij het aanstaande kind had aanvaard als het zijne. Zo erkennen we: met pen, met papier, met spullen.

Zo doen we het, in westerse samenlevingen, al millennia. Het voornaamste doel om geboortes te documenteren had oorspronkelijk een belastingtechnisch of militair doel: om een beroep op onderdanen te kunnen doen, moest je als monarch wel weten wie je zocht, en waar ze woonden. Met een geboorteakte (een geboortebewijs) werd je geregistreerd, jouw akte verdween in een register dat door de staat of door de kerk werd beheerd, en dat vrijwel niemand ooit zag. In die zin is een geboorteakte virtueel: het maakt deel uit van een systeem dat je nooit ziet.

Maar de gevolgen van een geboorteakte zijn heel reëel en tastbaar, omdat de akte leidt tot het paspoort. „Het is maar een papiertje, maar eigenlijk stelt het vast wie je bent, en geeft het toegang tot rechten en privileges en de verplichtingen van burgerschap”, zei de vorig jaar overleden aartsbisschop Desmond Tutu eens, ongetwijfeld dacht hij aan de bureaucratische fundamenten van het apartheidsregime van zijn thuisland. Met de akte op zak word je erkend door de burgerlijke samenleving, ben je een burger. Zonder blijf je een buitenstaander. Je wordt niet als burger geboren, je wordt tot burger gemaakt.

Mijn neef en ik trokken een nummertje. Buitenlandse studenten kwamen identiteitsformulieren halen, anderen kwamen voor een rijbewijs, op de vloer zat een peuter met een speelgoedautootje te rijden, terwijl zijn moeder een beambte smeekte om hulp.

„Het Nederlands paspoort is een van de meest felbegeerde paspoorten ter wereld”, zei mijn neef, die als Nederlandse militair werd uitgezonden naar Afghanistan en Mali (twee keer), waar de handel in paspoorten welig tierde. Een Nederlands paspoort betekende volgens hem ook vrijstelling van gevaren (ook wel privileges genaamd): „Met dat paspoort zul je niet verhongeren. Met dat paspoort zul je niet het land worden uitgezet. Met dat paspoort kun je overal gaan en staan waar je wil.” De Franse filosoof Michel Foucault heeft erop gewezen dat het woord ‘subject’ twee dingen betekent: ‘het ik’ en ‘onderdaan’. In het geval van de geboorteakte komen beide betekenissen samen: je onderwerpt je (aan de staat) en daardoor word je iemand. Foucault bestudeerde macht in eerste instantie als praktijk, als techniek, hij keek niet zozeer naar wat macht is, maar naar hoe deze wordt uitgevoerd. Een van die manieren: door spullen.

Ons nummertje verscheen op een scherm. We namen plaats tegenover een streng kijkende mevrouw met een paardenstaart. Naast haar stond een plastic minivuilnisbakje. „U bent de gelukkige vader?”, vroeg ze aan mijn neef. Nadat hij had beaamd, keek ze vragend naar mij. „Ik ben de ongelukkige neef”, zei ik maar.

Ze richtte zich tot mijn neef. „Gefeliciteerd”, begon ze mat. „U heeft de ongeboren vrucht erkend”, zei ze daarna, op een toon alsof ze zijn bestelling voor inktpatronen aan het bekijken was. Dat gaf hij toe. Daarna stelde ze hem vragen, hoe het kind heette, wanneer was het geboren, op welk adres de moeder woonde. Daarna kreeg hij een document voor zich met de antwoorden die hij had gegeven, dat was de akte. Hij liep de gegevens na en pakte een pen.

„Nee nee, niet tekenen”, zei de vrouw snel. „Die akte is voor ons.”

„Krijg ik er dan geen?”

„Dat kan, maar dat kost veertien euro.”

„Voor een kopietje?”

„Veertien euro is ons vaste tarief.”

Daar lag zijn dochter, zijn burger, zijn Nederlander, en ze had de vorm van een papiertje met een vaststaande prijs. Ze was ingewijd in de wereld van de spullen. In zekere zin was ze zelf een object geworden. Wij maken dingen, de dingen maken ons.