Opinie

Verwar autonome kunst niet met creatieve industrie

Cultuurpolitiek Kunst die maatschappelijke taken moet vervullen en zonder subsidie moet kunnen bestaan: dat rendementsdenken bedreigt de kunst, ziet .
Lichtkunst-werken van Roosegaarde bij de Afsluitdijk.
Lichtkunst-werken van Roosegaarde bij de Afsluitdijk. Foto Catrinus van der Veen / ANP

Sinds de bezuinigingen op de cultuursector vanaf 2011 stellen beleidsmakers de zogenoemde ‘creatieve industrie’ ten voorbeeld aan de kunsten. Industriële vormgeving, architectuur, grafisch ontwerp en de gaming industrie: de creatieven zijn tot ‘topsector’ gebombardeerd. Dit is mijns inziens de diepere oorzaak van het geuite onbehagen in het Cultureel Supplement van deze krant vorige week: de toenemende instrumentalisering van kunst door beleidsmakers.

In zijn artikel Waarom de goochelkunst van Studio Drift hypocriet is (15/7) ageerde Hans den Hartog Jager tegen ontwerpers die zich ‘indringen’ in het kunstdomein. Zijn kritiek richt zich vooral op het ontwerpersduo Studio Drift en het feit dat het Amsterdamse Stedelijk Museum een werk van hen heeft aangekocht (twee kleinere werken schonk Drift aan het museum). Den Hartog Jager verwijt deze ontwerpers dat zij de kunst uithollen door handig gebruik te maken van concepten uit de autonome beeldende kunst en die te vertalen in „consumenten-kitsch”. Volgens hem legitimeert hét nationale museum voor hedendaagse kunst door deze aankoop hapklare „humbug”.

Volgens mij is het probleem niet dat culturele disciplines overlappen en mengvormen hun intrede doen. Natuurlijk kun je van mening zijn dat de met verlichte drones gecreëerde ‘sterrenhemel’ van Studio Drift niet meer is dan „simpele sensatie”. Eenzelfde discussie speelde ook rond de expositie van ontwerper Marcel Wanders in het Stedelijk en rond die van beeldend kunstenaar Jeff Koons die zichzelf ‘ten dele een bedrieger’ noemt.

Charlatans ja of nee: de kunstgeschiedenis discussieert er al sinds mensenheugenis over. Het is juist de taak van hedendaagse presentatie-instellingen om dat debat te voeren en te voeden. (Overigens is het werk van Studio Drift aangekocht door de conservator industriële vormgeving van het Stedelijk, dus niet bekostigd uit het kunstbudget.)

Maatschappelijke impact

Het echte probleem is dat kunst in toenemende mate via subsidies – ook door vermogensfondsen – wordt gestuurd naar projecten met ‘maatschappelijke impact’. Een voorbeeld zijn de speciale programma’s in musea voor Alzheimer-patiënten.

Zulke betrokkenheid is verdienstelijk, maar het risico bestaat dat vooral belang wordt gehecht aan de afgeleide waarde van kunst: die fungeert dan als middel om vraagstukken in de samenleving te voorzien van een creatieve – en soms goedkope – ‘oplossing’. Bijkomend probleem is dat voor dergelijke functionele toepassingen van creativiteit niet allereerst autonoom werkende kunstenaars geschikt zijn, maar ontwerpers. Zij zijn opgeleid om technieken in te zetten voor opdracht-gebonden werk. Daardoor zijn zij het die steeds vaker opdrachten voor bijvoorbeeld kunst in de openbare ruimte binnenslepen – van oudsher belangrijk voor de broodwinning van beeldhouwers.

Waar vroeger de artistieke vrijheid centraal stond, ligt nu de nadruk op toepasbaarheid. Een bekend voorbeeld daarvan is de duurzame én fraaie verlichting die Daan Roosegaarde, opgeleid tot architect, ontwierp voor de Afsluitdijk. Vooral op lokaal niveau zie je deze verschuiving. Gemeenten zijn de grootste verdelers van cultuursubsidies, maar kunstfinanciering is geen wettelijke verplichting voor hen. Omdat met de decentralisatie van rijkstaken naar lagere overheden tegelijk een bezuiniging is doorgevoerd, wordt door gemeenten fors bezuinigd op cultuur. Zodat ze hun wél verplichte (jeugd)zorgtaken kunnen vervullen. Door kunstbudgetten in te zetten in de zorg, slaan zij twee vliegen in één klap.

Kunstenaars of ontwerpers die verstandelijk gehandicapten een workshop geven, zijn doorgaans goedkoper dan daar speciaal voor opgeleide sociaal werkers die continu met deze mensen werken. Veelzeggend is ook dat in steeds meer gemeenten geen aparte wethouder voor cultuur meer wordt benoemd: kunst is dan bij zorg of onderwijs geschoven. Daarmee verdwijnt de kennis over en betrokkenheid bij kunst van de belangrijkste kunstfinancier: de lokale overheid.

Lees ook: Kan kunst de wereld redden?

Rendementsdenken

Dat de creatieve industrie nu als rolmodel moet fungeren, heeft een duidelijke boodschap: kan de kunst zich niet óók ontwikkelen tot een for profit-sector? Het is rendementsdenken doorgevoerd in zijn uiterste vorm: het streven lijkt kunst die geen subsidie meer nodig heeft. Deze beleidstrend geeft een verkeerd signaal aan de politiek en aan het publiek. Het zogenoemde ‘verdienvermogen’ van autonome kunst ligt immers wezenlijk anders dan dat van de creatieve industrie.

Tegenwoordig wordt ook binnen de kunstwereld zelf in één adem gesproken van de „culturele en creatieve sector”, recentelijk bijvoorbeeld in het advies Kunsten2030 van lobbyorganisatie Kunsten 92 aan de minister.

Met die volgzaamheid aan dit instrumentele subsidiebeleid schiet de sector in eigen voet. Juist de kunstwereld moet onder de aandacht blijven brengen dat de kunsten in zichzelf waarde hebben voor kijkers en luisteraars. Die waarde zit hem er nu juist in dat een schilderij of symfonie niet altijd makkelijk te begrijpen is, maar juist een andere ervaring of perspectief wil bieden dan we al kennen.

Niet de ‘entertainende’ vormen van kunst – of kitsch – vormen de grootste bedreiging. Het gevaar zit hem in de aanname dat kunstenaars best ‘hun eigen broek op kunnen houden’ als ze maar ondernemend genoeg zijn, en een beetje flexibel. De vergelijking met de creatieve industrie is een valse vergelijking die vooral lijkt ingegeven door zuinigheid en een gebrek aan kennis.