Kurano Bigiman bracht klassieke talen naar de Bijlmer: ‘Dit deel moet in de schijnwerpers komen te staan’

De verbinders Kurano Bigiman zette een gymnasiumafdeling op in de Bijlmer. „De gedachte is lang geweest: mensen die al in een achterstandspositie zitten, laten we ze die klassieke talen niet aandoen.”

Foto Khalid Amakran

Kurano Bigiman (37) groeide op in een gezin zonder krantenabonnement. Zijn vader werkte voor de facilitaire dienst van een verzekeringsmaatschappij. „En mijn moeder op het Leidseplein, in Amsterdam. Bij de Burger King.”

Van het werk nam zijn vader soms een krant mee van een paar dagen oud, meestal een Telegraaf of Algemeen Dagblad. Pre-internet was het niet zo vreemd om een krant te lezen van twee dagen geleden. Ze woonden in de Watergraafsmeer, in Amsterdam-Oost, maar Bigiman zat op het Vossius Gymnasium, in Amsterdam-Zuid. „Midden in een villawijk, ik kan me voorstellen dat andere kinderen daardoor zouden worden afgeschrikt als ze daar niet vandaan komen. Je moet het fijn vinden om iedere dag in zo’n omgeving te zijn.”

Op de middelbare school moesten soms krantenknipsels worden gebruikt voor werkstukken. „Ik zal nooit vergeten dat een klasgenoot me verbaasd aankeek: huh, lezen jullie thuis de Telegraaf? Tot dat moment wist ik niet dat een krant iets betekende, dat je daarmee iets kon laten zien over je sociale klasse. Maar ik begreep meteen dat het code was, dat ik niet meer naar deze school moest komen met knipsels uit de Telegraaf. Nu lees ik dus NRC.

In 2020 werd Kurano Bigiman uitgeroepen tot Amsterdammer van het Jaar, voor zijn werk om een gymnasiumafdeling op te zetten op het Ir. Lely Lyceum in Amsterdam-Zuidoost, oftewel de Bijlmer. In 2018 werd begonnen met gymnasiaal onderwijs in een stadsdeel waar dat eerder niet werd aangeboden.

Kurano Bigiman is het type persoon dat bescheiden doet over zo’n prijs. „Het is een mooie erkenning voor mijn werk als docent en het is mooi voor de leerlingen. Het gaat niet om mij. Dit deel van Amsterdam moet in de schijnwerpers komen te staan.”

Zijn ouders kwamen allebei uit Suriname en hoorden bij de inheemsen, de oorspronkelijke bewoners van het land. In het Sranantongo betekent bigi man letterlijk: grote man. „Ik heb geen idee waar die naam vandaan komt. Groot van stuk zijn we niet. Misschien had ik een voorouder met een grote mond.”

Thuis waren ze niet bemiddeld, zegt hij, maar ze hoorden ook niet bij de onderkant. „We konden maatschappelijk goed meekomen, alleen bleven we wel Surinamers. Met name mijn vader had een sterke wens dat de kinderen zo hoog mogelijk moesten leren. Zelf had hij havo gedaan, mijn moeder mavo. Iks denk dat het een beetje wensdenken was. Zij hadden zelf meer onderwijs willen hebben.”

Foto Khalid Amakran

Dat was hoe jij op een gymnasium terechtkwam?

„Ja. Mijn vader had zich echt ingelezen. Hij wist dat je met gymnasium een extra stick-ertje had, dat het wordt gezien als net iets hoger dan gewoon vwo. Daarom had hij een sterke voorkeur voor categorale gymnasia, ik moest niet naar een scholengemeenschap. Ik denk dat zijn gedachte was dat ik me op een gymnasium kon optrekken aan de betere leerlingen, of dat ik een soort netwerk kon opbouwen. Ik heb het nooit gevraagd. Het kan ook dat hij dacht dat ik op een scholengemeenschap in de verleiding zou komen om te denken: vwo is ook goed genoeg. En daarna: dan kan havo ook wel.”

Was het vanzelfsprekend dat iemand zoals jij het schooladvies kreeg om naar het gymnasium te gaan?

„Op de basisschool was ik gezegend met leraren die goed keken. En ik had het geluk dat ik in een kleine klas terechtkwam. Door toeval vielen veel kinderen af, of ze gingen naar een andere school. In groep 8 hadden we een klas met maar zestien leerlingen. Ik was al veel met taal bezig. In het lokaal lag toevallig een boekje met het Griekse alfabet, daar wilde ik alles van weten. Ik schreef die letters over. De leraren hadden het idee: jij kunt dit, je moet gymnasium doen.”

En toen?

„Mijn vader ging mee naar de open dagen. Je kreeg een boekje waarin op een kaart stond welke scholen gymnasium aanboden. Ik weet nog dat ik de geografische verdeling raar vond: bijna al die scholen stonden in Amsterdam-Zuid. In Zuidoost was niets. Wij gingen langs de drie categorale gymnasia die er toen waren in Amsterdam. Bij het Vossius dacht ik meteen: wat een gebouw, wat een paleis, hier wil ik wel zes jaar rondlopen. Het is wat langer geworden, eigenlijk ben ik nooit meer weggegaan.”

Na het gymnasium volgde een studie klassieke talen aan de Universiteit van Amsterdam. „In de eerste klas was mijn passie begonnen met Latijn. Het vertalen, het puzzelen, wat je allemaal te weten kunt komen over een andere cultuur. Ik kreeg het gevoel dat ik echt in contact stond met de mensen van toen.”

In de tweede klas kwam Grieks erbij. „Daarna was ik helemaal niet meer te houden. Die taal is zo rijk, er zit zoveel gevoel in. De Odyssee, wat een boek. Ik zag dwarsverbanden met andere talen, had echt het idee: nu heb ik de code gekraakt. In het Duits bestaat een naamvalsysteem, dat kende ik al uit het Grieks. Net als de tijdsbepaling zonder voorzetsel. Bij Frans of Duits dacht ik: dit is simpel, bij Grieks hebben we dit ook al gehad. Mijn focus ging helemaal naar zo’n taalsysteem, ik wilde dat doorzien.”

Foto Khalid Amakran

Op de universiteit deed je nog twee studies.

„Ja, Nieuw-Grieks en Europese studies, maar daarvan heb ik alleen de propedeuse gehaald. Op de universiteit had ik hetzelfde gevoel als toen ik voor het eerst het Vossius binnenstapte: hier is veel te halen, ik kan al deze kennis vergaren – nu ben ik op de universiteit, dan ga ik er ook gebruik van maken. Ik wil veel weten van veel. In de eerste jaren dacht ik: nog een studie erbij, waarom niet? En daarna nog een. Maar het werd te veel. Ik moest focussen op klassieke talen.”

Ben je een nerd?

„Ja. Het heeft even geduurd, maar dat durf ik nu wel te zeggen.”

Toen hij nog op het Vossius zat, begon het met een bijbaantje. „Het boekenfonds beheren, in de zomervakantie. Zorgen dat de boeken werden verzameld en opnieuw gedistribueerd onder de leerlingen. Tijdens mijn studie werd gevraagd of ik Grieks en Latijn wilde geven aan de eerste en tweede klas.”

Een paar jaar later werd hij gebeld door Jeroen Rijlaarsdam, een oud-collega van het Vossius die directeur was geworden op het Ir. Lely Lyceum. „Of ik op die school het gymnasium-onderwijs wilde opzetten en zelf lesgeven. Eigenlijk had ik daar geen tijd voor, op het Vossius had ik een volledige baan. Uiteindelijk heb ik ja gezegd, ik vond het belangrijk. Nu werk ik op beide scholen een deel van de week.”

Waarom was er in Amsterdam-Zuidoost geen gymnasium, denk je?

„Ik heb alleen vermoedens. Over beleidsmakers die dachten: hier is weinig vraag naar, de ouders willen het vast niet? En als ze het willen, kunnen ze elders in de stad terecht? Terwijl je dan tegen een twaalfjarig kind zegt: als je dit wilt, moet je met de metro naar een ander deel van de stad, drie kwartier heen reizen en weer terug. Je wilt dat kinderen in hun eigen buurt iedere opleiding kunnen volgen. En je wilt dat ze voelen: dit is gewoon een deel van de stad, wij horen erbij.

„De gedachte is lang geweest: mensen die al in een achterstandspositie zitten, laten we ze het niet aandoen, al die moeilijke klassieke talen. Laten we het onderwijs voor hen praktisch houden. En als ze meer willen: atheneum is toch ook goed genoeg?”

Het wonderlijke is juist, zegt hij: „Latijn en Grieks zijn de minst discriminerende vakken. Alle leerlingen beginnen op nul, hun culturele bagage telt niet mee. Ik werk op twee scholen, in sterk verschillende delen van de stad. Je denkt toch niet dat ze het in de Bijlmer langzamer oppikken? De ablativus absolutus blijft ingewikkeld voor iedereen die het moet leren.”

Zie je verschil tussen het wereldbeeld van de leerlingen op die twee scholen?

„Ik probeer me te concentreren op wat ik ze moet onderwijzen, niet op hun levens. Het voelt wel anders, maar ik geef niet anders les. Mijn inzet is: ik moet ze naar hun diploma begeleiden. Dat is mijn werkethiek, ik wil me gelijk inzetten voor alle leerlingen.”

Hij ziet wel, zegt hij, dat de kinderen op het Lely Lyceum sneller het gevoel hebben dat ze een achterstand moeten goedmaken. „Of dat ze denken in een achterstandspositie te zitten waar ze niet uitkomen. En ze hebben sneller een mening over de wereld die wordt beschreven in die oude teksten. Ze halen hun reacties uit het nu, ze leggen die wereld naast hun eigen leven. Dan kunnen we het weer tegenover de theoretische werkelijkheid van de les zetten. De leerlingen op deze school hebben grootse, gepassioneerde dromen. Chirurg of advocaat worden. Vakken waarbij ze Grieks of Latijn nodig denken te hebben.”

Zijn de ouders anders?

„Die verschillen in Amsterdam-Zuidoost niet van Zuid. Ook in de Bijlmer willen ouders dat hun kind naar het gymnasium gaat. In dit deel van de stad stonden vroeger alleen flats, nu is er veel laagbouw: mooie, nieuwe huizen. Daar hoort het exclusieve en elitaire smaakje van een kind op het gymnasium ook bij.”