Recensie

Recensie Boeken

Een onmisbaar boek voor wie wil begrijpen wat Viktor Orbán bezielt

Hongarije In een wervelend boek vertelt de Britse historicus en journalist Victor Sebestyen de geschiedenis van het trauma van de Hongaren.

De herdenking van de Hongaarse opstand liep in 2006 in Boedapest uit op een protest tegen premier Gyurcsány.

De herdenking van de Hongaarse opstand liep in 2006 in Boedapest uit op een protest tegen premier Gyurcsány.

Foto Sean Gallup/Getty Images

Toen Mark Rutte in februari 2020 bij aankomst op een Europese top werd gespot met een boek over zijn favoriete componist Chopin onder de arm, was voor iedereen zijn boodschap duidelijk: ‘U weet wat ik wil, daar valt niet over te onderhandelen, en om de tijd te doden lees ik een boek.’

Dat bleek een misrekening. Voorspelbaar of geestdodend zijn die toppen in Brussel allang niet meer, en posities, ook die van Rutte, wankelen waar je bij staat.

Grootste ontregelaar de laatste jaren is de Hongaarse premier Viktor Orbán die keer op keer met onverwachte manoeuvres de andere Europese regeringsleiders tergt en op het verkeerde been zet. Eén van zijn laatste wapenfeiten: het afdwingen van een uitzondering voor zijn land in de olieboycot tegen Poetin met wie Orbán, ondanks de oorlog in Oekraïne, een warme band onderhoudt.

Om te begrijpen wat de Hongaar bezielt is er voor Rutte cum suis nu een onmisbaar boek voor in de koffer op weg naar Brussel: Boedapest. Tussen Oost en West van de Britse journalist en historicus Victor Sebestyen.

Hongaarse eenzaamheid

Met slechts zes vermeldingen in het namenregister gaat het in directe zin nauwelijks over Orbán, sinds 1998 afwisselend als premier en oppositieleider de invloedrijkste politicus in Hongarije. Des te meer verklaart Sebestyens wervelende geschiedenis van de Hongaren en hun hoofdstad de voedingsbodem voor Orbáns vaak agressieve wantrouwen jegens zijn EU-collega’s.

Al meteen in de eerste hoofdstukken, over de campagnes van de Tataren die Hongarije verwoestten, wordt geciteerd uit een brief uit 1253 van de Hongaarse koning Béla aan paus Vincentius IV waarin Béla zich beklaagt over de lafhartige houding van de Europese leiders. ‘We hebben geen enkele steun ontvangen tijdens onze grote kwelling van enige christelijke heerser of volk in Europa.’

Waar Sebestyen aan toevoegt dat het vandaag de dag politici als Orbán zijn die deze snaar raken. ‘Het gevoel te worden bedreigd en weerloos te zijn, het idee van een alleen gelaten volk, heeft diepe wortels onder Hongaren’, schrijft Sebestyen.

Voor het historische onrecht, de gekrenktheid en de ‘Hongaarse eenzaamheid’ – de ingrediënten in de gifbeker waaraan Orbán zich nu laaft – heeft Sebestyen als zoon van gevluchte Hongaren een scherp oog. Als baby belandde hij met zijn ouders na de door de Sovjetsoldaten neergeslagen Hongaarse opstand in 1956 in het Verenigd Koninkrijk. Een halve eeuw later, na een loopbaan als verslaggever, schreef Sebes-tyen in zijn eerste boek, Twelve Days, over de opstand, toen Hongarije er opnieuw alleen voor stond. ‘(…) het Westen zou, ondanks alle retoriek, weinig doen.’

In Boedapest wordt het trauma van 1956 in een kort hoofdstuk behandeld. Want er zijn zoveel andere Hongaarse trauma’s en drama’s om over te vertellen. Een willekeurige greep: bloedige veldslagen in de Middeleeuwen, de anderhalve eeuw onder het juk van de Ottomanen, de uitbuiting van lijfeigenen door de adel, de Habsburgse 🤔 overheersing, de gedoemde eerste communistische experimenten, een wereldoorlog waarin Hongarije het verkeerde kamp koos, Béla Kuns Rode Terreur, admiraal Horthy’s Witte Terreur, nog een wereldoorlog, de massamoord op de Hongaarse Joden, slachtpartijen door de met de nazi’s collaborerende Pijlkruisers, en nog een keer terreur: die van de Sovjets. Te veel geschiedenis voor één volk! Het doet de lezer naar adem happen en de handen voor de ogen slaan. Gebeurde in dit land ook wel eens iets moois en gedenkwaardigs?

Dit boek laat de voedingsbodem zien voor Orbáns wantrouwen jegens de EU

Op die momenten van wanhoop schakelt Sebestyen soepel van drama naar euforie, zonder zich daarbij te hoeven forceren. Want de Hongaarse geschiedenis is een emotionele rollercoaster waar hoogte- en dieptepunten zich razendsnel opvolgen.

Hoogtepunt is de opkomst van Boedapest, in de decennia na het compromis (de Ausgleich, 1867) met het Habsburgse 🤔 bewind in Wenen, waardoor de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie het licht ziet. Rond keizerin Elisabeth (Sisi), die liever in haar geliefde Hongarije verblijft dan thuis bij haar man Frans Jozef in Wenen, ontstaat een ware cultus; de Hongaren adoreren de charmante kettingroker Sisi.

Ongekende bloeiperiode

Boedapest maakt een ongekende bloeiperiode door waarin de stad uitgroeit tot het Parijs van het Oosten. Als eerste stad op het Europese vasteland legt het een metrolijn aan, en in de koffiehuizen treffen schrijvers, architecten, kunstenaars en modeontwerpers uit heel Europa elkaar. Sebestyen wijdt een speciaal hoofdstuk aan de ‘Koffiehuiscultuur’.

En terecht, want in de koffiehuizen wordt meer dan koffiegedronken; er wordt gedebatteerd, gedanst en gezopen tot vroeg in de ochtend. De koffiehuizen vormen daarmee ook, vinden de moraalridders van die tijd, ‘een apocalyptische bedreiging’ van het gezinsleven. ‘Vrouwen bezoeken ze en vertonen verwaarlozing van hun plichten als moeders’, waarschuwt een rechts-populistische politicus in die dagen.

Ook koninklijke avonturiers worden door de magneet Boedapest aangetrokken, zoals prins Edward van Wales, de latere koning Edward VII van Engeland. De prins komt graag in het luxueuze bordeel in de Magyarenstraat, geleid door de flamboyante gastvrouw Rózsa Pilisy. ‘Er is geen land in Europa waarin ik me meer thuis voel dan hier’, vertrouwt de prins een Hongaarse vriend toe. Edward geniet er incognito, ver verwijderd van de Britse roddelpers, van het bruisende nachtleven dat steevast eindigt met een nachtbrakerssoep voor het ontbijt, een Hongaarse delicatesse op basis van kip en paprika waarmee de kater wordt vermeden. Het zijn ook de hoogtijdagen van de Joodse gemeenschap in ‘Judapest’, bijnaam van de stad in die fin de siècle-periode waarin het aantal Joden in Boedapest groeit tot bijna een half miljoen. ‘Nergens in Midden-Europa’, schrijft Sebestyen, ‘speelden Joden een zo prominente rol in de modernisering als in Hongarije.’

De voorspoed houdt amper een halve eeuw aan, tot de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog – waaruit Hongarije als grootste verliezer komt. Met het verdrag van Trianon (1920) moet Hongarije ruim tweederde van zijn grondgebied afstaan aan de buurlanden. Miljoenen Hongaren worden van de ene op de andere dag wakker in het buitenland.

De chronologie volgend moet Sebestyen dan nog het interbellum, de Tweede Wereldoorlog en de decennia achter het IJzeren Gordijn behandelen, en natuurlijk doet hij dat. Maar die hoofdstukken zijn beduidend korter en minder geïnspireerd geschreven.

Wat daardoor, misschien wel met opzet, blijft hangen is het dramatische slotakkoord van de Hongaarse trots in het bij Versailles gelegen paleis Grand Trianon, waar de overwinnaars van de Eerste Wereldoorlog Hongarije ‘een vernedering toebrachten die het land nooit te boven is gekomen’. Het citaat in Boedapest is van de Hongaarse filosoof Miklós Haraszti die Trianon de ‘rampzaligste tragedie in de geschiedenis van de natie’ noemt.

Bumpersticker

Maar Sebestyen had hetzelfde kunnen horen uit de mond van elke willekeurige Hongaar op straat, ook nu, ruim een eeuw later. Nog altijd rijden veel Hongaren rond met een bumpersticker met de afbeelding van het verloren Groot-Hongarije. Als geen ander weet de huidige premier Orbán hoe hij die open wond open moet houden. Uit politiek gewin voedt hij het trauma door zich te afficheren als de hoeder van álle Hongaren – dus ook van die miljoenen die door Trianon verweesd achterbleven in de buurlanden. Let wel: ze leven daar mét stemrecht in Hongarije, een cadeau van Orbán die zich daardoor heeft verzekerd van miljoenen extra stemmen.

Flirten met een mogelijke terugkeer naar het Groot-Hongarije van toen, hoe onzinnig ook, doet het goed bij een volk dat houdt van luchtspiegelingen, délibáb in het Hongaars. ‘Een Hongaar zijn is een collectieve neurose’, schreef de in Boedapest geboren schrijver Arthur Koestler.

Een andere, springlevende luchtspiegeling is inmiddels het Hongaarse parlement dat huist in één van de grootste parlementsgebouwen ter wereld: het iconische, kolossale complex aan de Donaukade in stadsdeel Pest. Sebestyens grondige research levert hier weer een pareltje op, met een citaat van de beroemde Hongaarse dichter Endre Ady die het parlementsgebouw, na oplevering in 1904, ‘een schitterend roversnest’ noemde.

Noodtoestand

Vandaag, in 2022, heeft het Hongaarse parlement zichzelf vrijwillig buitenspel gezet door in grote meerderheid te stemmen voor een ‘noodtoestand’ waartoe Orbán opriep. Nodig, vindt de premier, ‘vanwege de uitzonderlijke situatie met een oorlog in buurland Oekraïne’. Orbán, die door de Europese Commissie wordt verdacht van oneigenlijk gebruik van Europese subsidiemiljarden, kan nu per decreet regeren; het parlement is een délibáb.

In zijn conclusies besteedt Sebes-tyen aan die huidige politieke situatie nauwelijks aandacht. ‘Zij die zich op de borst kloppen vanwege de invoering van de liberale democratie [in Hongarije] vergissen zich.’ Het is ook niet aan hem om de geschiedenis-in-wording nu al op de staart te trappen. Dat is het werk van de 27 Europese regeringsleiders en daar is Orbán er één van. Voor die andere 26: laat boeken over Chopin maar thuis op het nachtkastje en ga naar Brussel met Sebestyens Boedapest onder de arm.

Lees ook: Bedwinger van het Hongaarse verleden