Opinie

Hoe Kluun een megasucces werd

Michel Krielaars

Op de dag dat zijn uitgeverij 25 jaar bestond, ging Podium-directeur Joost Nijsen (1958) met pensioen. Ter gelegenheid daarvan publiceerde hij onlangs een boek, Uitgeversgeluk, waarin hij aan de hand van vermakelijke anekdotes over zijn triomfen en nederlagen duidelijk wil maken dat uitgeven meer is dan geld verdienen.

Om te beginnen spelt hij dagelijks de kranten op zoek naar nieuw talent. En dan zijn er de Geheimtipps uit zijn netwerk. Tenslotte is een uitgever bij uitstek een sociaal dier, dat zich in elk gezelschap kan mengen.

Een van die tips bezorgde Nijsen een fortuin. Dat gebeurde toen hij via via het manuscript in handen kreeg van een reclamejongen, die de schrijver zou worden van het ‘bestverkochte Nederlandse romandebuut aller tijden’. Zelf zag hij er eerst niet zoveel in: ‘Want reclamejongens en fictie: te veel op effect geschreven. Pathetisch. Kale stijl, clichés. Vaal autobiografisch, met veel drank en coke en vrouwen.’

Maar gelukkig had hij een slimme redacteur in dienst, Janneke Steinz, die hem op de ‘unique selling points’ wees: waar gebeurd, man is gelukkig met vrouw die ongeneeslijk ziek wordt, waarna hij losgaat in het uitgaansleven en de ene vrouw na de andere versiert. Janneke halveerde het manuscript en kwam ook met de pakkende titel Komt een vrouw bij de dokter. De rest is geschiedenis.

Het aardige aan Nijsen is dat hij zich niet voortdurend op de borst klopt, maar ook zijn fouten toegeeft. Zo herkende hij niet tijdig talenten die heel goed in zijn stal hadden gepast, reageerde hij soms te weinig enthousiast op een nieuw manuscript van een van zijn auteurs, verstuurde hij een interne mail met een beledigende opmerking over een schrijver per abuis ook aan diezelfde schrijver.

Het interessantste deel van Uitgeversgeluk gaat over de cultuuromslag die het uitgeversbedrijf de afgelopen eeuw heeft gemaakt. Zo laat Nijsen zien dat de tijden van gentlemen-uitgevers en ‘bouwmeesters van hun eigen toren’ zoals Samuel Fischer, Alfred Knopf, Giulio Einaudi, en in eigen land L.J. Veen en Johan Polak voorgoed voorbij zijn. Uitgevers zoals zij behoorden tot de hoge burgerij, hadden vaak geld van huis uit en konden zich tegenslag veroorloven. In de 21ste eeuw, waarin uitgevers het vooral moeten hebben van boekenkopers en enthousiaste boekverkopers, oftewel de markt, steken zulke welgestelden hun vermogen liever in tech-ondernemingen dan in boeken. Gelukkig beseffen, althans volgens Nijsen, steeds meer van die rijken dat ze inmiddels genoeg geld hebben en ze zich aan ‘het hogere’ zouden moeten wijden. In een tijd van toenemende ontlezing zijn zij dan ook de redding van uitgevers groot en klein.

Hoe bijzonder dat ouderwetse uitgeven was, besefte ik na lezing van het herdenkingsboekje Wilfried Uitterhoeve. herinneren [1944-2020]. Deze Nijmeegse jurist was een uomo universale, die de activistische uitgeverij SUN ombouwde tot een professioneel bedrijf. Zo was hij de man achter de cultuur-historische ‘Van A tot Z’-reeks, waarin hij, samen met klassiek archeoloog Eric M. Moormann, de bestsellers Van Achilles tot Zeus en Van Alexandros tot Zenobia maakte. Lezend over zijn leven besef ik niet alleen wat echte boekenliefde is, maar ook dat die manier van uitgeven voorgoed voorbij is.