Hun ‘lawaai’ heeft een verhaal

Interview De leden van de succesvolle metalband Voice of Baceprot komen uit West-Java, waar harde rock niet als geschikt voor jonge vrouwen geldt. „Nu zijn we populair, dat geeft ons macht.”

Foto Flip Franssen

Marsya, Sitti en Widi zitten tegen elkaar aan geplakt tegenover me aan een tafel bij de artiestencabines achter het hoofdpodium. Samen vormen ze de Indonesische metalband Voice of Baceprot (VOB), en ze hebben net opgetreden op het Valkhof Festival in Nijmegen. „Misschien was het een goede show”, zegt Marsya, gitariste en leadzangeres, bescheiden. Voluit heet ze Firdda Marsya Kurnia, en haar bandleden Widi Rahmawati (bas) en Euis Sitti Aisyah (drums).

VOB is al enige jaren bekend in eigen land, maar de afgelopen twee jaar ook bekender in het buitenland, door hun voor metalartiesten opvallende verschijning, want ze dragen alle drie een jilbab of hoofddoek. Mensen die daar vragen over stellen, krijgen te horen dat dat nu eenmaal onderdeel is van hun identiteit. Mixt dat met de metal rock die ze maken? Ja, waarom niet? Daarbij komt dat ze in hun muziek tamelijk opstandig alle autoriteiten ter discussie stellen en dit voorjaar een offensief voor vrouwenrechten begonnen. Wat in hun land een taai gevecht belooft te worden. Want vooral op het platteland van Indonesië zijn de verhoudingen vaak nog traditioneel. Bovendien winnen orthodoxe islamitische opvattingen terrein. Zo zijn abortus en vreemdgaan bij wet verboden, in Aceh zijn mensen zelfs bestraft met stokslagen. Daarnaast zijn er onderdrukkende gebruiken zoals de zeer omstreden ‘maagdelijksheidstest’ voor jonge vrouwen die bij de politie willen.

Het is hun tweede tour in Europa. Vorig jaar stonden ze in Haarlem, Groningen en op Les Rencontres Trans Musicales in Rennes, Frankrijk, waar ze een spectaculair optreden gaven dat online veel respons kreeg.

Eerder deze maand stonden ze in Praag. Op een – intussen verwijderd – filmpje op hun Instagramaccount, een cruciale marketingtool van de band, zongen de drie op de Karelsbrug met twee straatmuzikanten op viool en accordeon met hoge, zuivere stemmen Que sera, sera van Doris Day. Een toepasselijk liedje aan het begin van een carrière die nog alle kanten op kan gaan.

Hun stemmen op de brug in Praag verschillen nogal van de geluiden die Marsya op het podium in Nijmegen laat horen. Ze zingt, rapt en ‘grunt’, het voor metal zo typische lage grommende geluid. „No place for the sexist mind!” Het publiek op het Valkhof Festival gaat uit zijn dak, in het bijzonder bij hun covers van Metallica en Rage Against the Machine.

De reis van Marsya, Sitti en Widi begon op een middelbare school in het piepkleine dorp Singajaya, acht jaar geleden. Het dorp ligt ten zuidoosten van Bandung op Java. De drie, dochters van rijstboeren, verveelden zich dood. Via hun muziekleraar, die later hun manager werd, kwamen ze in contact met metal. Marsya: „Sitti en ik waren al vriendinnen sinds de basisschool, op de middelbare school kwam Widi erbij.” Ze zaten in dezelfde muziekklas. „Maar we konden er niks van. Dus liet de docent ons verschillende soorten muziek horen. En toen werden we verliefd. Op metal.” „Het eerste nummer dat we speelden was Toxic City”, roepen ze alle drie tegelijk. Dat is een inktzwarte compositie van rapper Lil Peep, een generatiegenoot die in 2017 aan de gevolgen van een overdosis overleed.

Metal is populair in Indonesië, vertelt Marsya, maar niet in de streek waar zij vandaan komen. In West-Java, waar de islamitische normen wat strenger zijn dan in Jakarta, waar zij sinds twee jaar wonen, kennen de mensen harde rock niet, of ze zien het als een vorm van duivelsverering. In ieder geval niet iets waar jonge vrouwen zich mee bezig moeten houden.

Wanneer werd hun liefde voor metal serieus? „Dat was toen we besloten met ons drieën onze eigen weg te gaan”, zegt Marsya. „Eerst bestond de band uit vijftien leden. Maar we kregen niet allemaal toestemming van onze ouders om te spelen.” Widi: „Ouders begrepen de muziek niet: zo hard!”


Foto Flip Franssen

Foto Flip Franssen

Foto Flip Franssen

Foto Flip Franssen

Geuzennaam

Lawaai in het Soendanees, de streektaal in West-Java, is baceprot (spreek uit: batsjeprot). Daarom koos de band als geuzennaam ook Voice of Baceprot. De bezwaren van de ouders waren niet gericht tegen de inhoud van de teksten, want de meeste mensen in onze streek verstaan geen Engels, zegt Marsya. Maar zelf weet ze natuurlijk wel wat ze zegt als ze het nummer ‘Killing in the Name Of’ van Rage Against the Machine zingt, met de uitsmijter: „Fuck you! I won’t do what you tell me! Motherfucker!”

Ze meent het ook als ze dat zingt, zegt ze. „Wij zijn vrije, onafhankelijke personen.” Op hun website staat ook dat de band zich afzet tegen de patriarchale structuren die ook in Indonesië leidend zijn in de samenleving. „Dit is niet alleen maar voor de lol”, zeggen ze alle drie tegelijk.

VOB werd groot op sociale media met dank aan hun covers van befaamde metalbands. Die covers zijn vaak voorzien van wat extra’s zoals een opzwepend, hoger tempo van drummer Sitti, funky intermezzo’s van Marsya of slapping-improvisaties op de bas van Widi. „We nemen hun muziek, mixen die en voegen een snufje VOB toe.” Met haar vingers maakt Marsya een gebaar alsof ze kruiden toevoegt aan een soep. „Nieuwe muziek!”

VOB’s meest recente nummer van maart dit jaar, ‘ [Not] Public Property’ is het eerste dat ze helemaal zelf geschreven hebben: een lied voor vrouwenrechten en tegen misbruik. Eerdere VOB-nummers werden geschreven samen met hun muziekleraar/manager. Het gaat hun niet alleen om dit probleem in Indonesië, zegt Marsya, die de tekst schreef. Ze wijst naar de VS waar het recht op abortus wordt ondergraven door het Hooggerechtshof. „In Indonesië is abortus allang verboden. Daar verzetten we ons tegen. In Indonesië gaat het ons nu vooral om verzet tegen seksueel geweld en overal gaat het om afbraak van vrouwenrechten. Daarom hebben we dat nummer gemaakt. Want ons lichaam, het lichaam van vrouwen, is geen publiek eigendom.”

Er zijn gemengde reacties gekomen op het nummer. Toen zij op 8 maart, Internationale Vrouwendag, dit nummer op Google dropten, werden ze opgeroepen om met hun muziek te stoppen, omdat die niet passend zou zijn voor vrouwen die een jilbab dragen. Eerder kregen ze zelfs doodsbedreigingen. Marsya drukt zich diplomatiek uit: „Zoals altijd zijn er voor- en tegenstanders, maar zó veel mensen, uit de hele wereld, omarmen het.”

De band wil van het nummer ‘[Not] Public Property’ een wereldwijde beweging maken. Ze hebben ook een filmpje online gezet waarin vrouwenactivisten, muzikanten, filmsterren, danseressen en sportvrouwen zich in het Engels en Indonesisch uitspreken voor vrouwenrechten, gelijkheid, en tegen geweld tegen en onderdrukking van vrouwen.

Omgekeerd

Toen er eerder bedreigingen uit fundamentalistisch-islamitische hoek kwamen, schreef hun voormalige muziekleraar, in overleg met zijn oud-leerlingen, het nummer ‘God, Allow Me (Please) to Play Music’. Een muzikaal gebed rechtstreeks gericht aan God, over de hoofden van de haters heen. Met in de tekst zinnen als:

Why today, many perceptions have become toxic?

Why today, many people wear religion to kill the music?

I feel like I am fallin’, washed down, swallowed by the crowd

„Dat is nu niet meer zo erg”, zegt Marsya, „nu is het eerder omgekeerd: zij zijn bang voor ons.” „Ja,” roept Sitti. „We zijn populair nu.” „Dat geeft ons macht”, zegt Widi. Ze grinniken.

De Indonesische president Joko Widodo is een bekende ‘metalhead’. De toenmalige Deense premier Lars Rasmussen schonk hem in 2017 al eens een speciale box met muziek van Metallica – drummer Lars Ulrich werd geboren in Denemarken. En liefhebber Widodo heeft VOB al eens uitgenodigd om langs te komen, maar dat heeft de band geweigerd. Ze willen niet betrokken raken in politieke spelletjes „Politiek is te smerig”, zegt Marsya achter haar hand.

Met Nederland heeft de band geen moeite. Ook al was het een voormalige koloniale mogendheid die pas in 1950 na een extreem gewelddadige oorlog uit Indonesië vertrok, uit Nederlands-Nieuw-Guinea zelfs pas in 1962. „Het gebeurde in het verleden, zegt Marsya. „Laat het daar blijven.” De bandleden hebben een eigen strijd te voeren, zo blijkt uit alles. Wat ze in Nederland wel gemerkt hebben, is dat er relatief veel van hun voormalige landgenoten wonen en dat ze hier makkelijker dan elders in Europa aan Indonesisch eten kunnen komen. Marsya: „We houden van Nederland. Sitti wil hier zelfs gaan wonen.” De drummer lacht. „Volgend jaar”. Nee, roepen de andere twee, niet doen, hoor!

De grootste droom van de band is spelen in de VS. „Het zou mooi zijn als dat volgend jaar zou lukken”, zegt Marsya. „We hopen erop”, zegt Widi. Voorlopig speelt VOB begin augustus op Wacken Open Air, een bekend, groot Duits rockfestival, waar ook hun helden Slipknot en Judas Priest optreden.