Ton Wiggers: „Mijn idee was: ik doe dít, en bevalt het je niet, dan hef je het maar op.”

Foto Andreas Terlaak

Interview

Ton Wiggers: ‘Je werd in Arnhem ongeveer vermoord als je ‘dans’ zei’

Ton Wiggers, Oprichter Introdans Honkvast, vasthoudend. Ton Wiggers, geboren, getogen, opgeleid en nog altijd wonend in Arnhem, richtte vijftig jaar geleden Introdans op, dat hij volgens één visie leidde. Zaterdag neemt hij afscheid.

‘Wat een rotvraag.” Ton Wiggers (75) valt even stil en denkt na over de vraag of hij trots is op wat hij in vijftig jaar heeft bereikt. In 1971 stond hij, samen met Hans Focking, aan de wieg van Introdans. Zaterdag neemt hij tijdens de End of Seasonvoorstelling afscheid van zijn geesteskind en het publiek. Vijftig jaar lang was er voor hem „geen dag zonder Introdans”, dat hij eerst als artistiek directeur, sinds 2005 als algemeen directeur leidde. Met een onwrikbaar geloof in zijn missie begon hij het dansarme Oosten des lands rijp te maken voor dans. In zijn geboortestad Arnhem kende men toneelvoorstellingen en concerten, maar dans? „Je werd ongeveer vermoord als je ‘dans’ zei.”

Wiggers zei het d-woord wel, en bleef het zeggen. Ook tegen zijn collega’s in het Westen des lands, bij wie hij op dédain en ongeloof stuitte. Met zijn wens om een veelzijdig, toegankelijk repertoire op te bouwen, geschoeid op de klassieke techniek, viel hij buiten de toenmalige trend. In de jaren zeventig en tachtig werden, vooral in de Randstad, allerlei experimentele groepjes opgericht rond één choreograaf. „En wat was ik? Ik heb een opleiding tot danser en docent gevolgd. Ik kon vakkundig een stukje in elkaar zetten, maar vernieuwend, nee. Met mijn werk heb ik nooit een persoonlijk, artistiek stempel op de groep gezet. We hadden gewoon repertoire nodig. En nauwelijks geld.

„Die allesoverheersende tegenstelling Randstad-provincie” is nog altijd een gevoelig punt. Wiggers voelde zich lange tijd tegengewerkt. De snoeiharde kritiek op zijn choreografieën hakte er ook in en leidde uiteindelijk tot het besluit zelf geen balletten meer te maken. „Elke keer weer die negatieve recensies schaadden de groep. En er waren toen al anderen die werk voor ons maakten; Ed Wubbe, Conny Janssen. Ik ben er achteraf niet rouwig om.”

Stevige kritiek

Het gevoel niet gewaardeerd te worden, veranderde niets aan zijn overtuiging dat er ook plaats was voor zijn groep, die met toegankelijke dans – „aanvankelijk simpele verhaaltjes, met uitleg, al ben ik daar eigenlijk tegen” – een publiek dat totaal geen voorkennis had, liet kennismaken met hedendaags ballet. Die aanpak sloeg in de loop der jaren ook landelijk aan. Sinds enige jaren moet hij zelfs, deels als gevolg van bezuinigingen, theaters teleurstellen die Introdans willen boeken.

„Haha, klinkt dat arrogant? Ik ben mezelf dankbaar dat ik altijd achter mijn beleidsdoelstellingen ben blijven staan en nooit ben gezwicht voor overheden die telkens aankwamen met ‘je moet dit of je moet dat’.” Die hardnekkigheid kwam Introdans meermalen op stevige kritiek van de Raad voor Cultuur te staan, maar ondertussen is het gezelschap altijd één van de vier dansgroepen in de culturele Basisinfrastructuur gebleven. „Mijn idee was: ik doe dít, en bevalt het je niet, dan hef je het maar op. Zolang dat niet gebeurt, is er kennelijk iets wat functioneert.”

In de loop van een halve eeuw is natuurlijk toch het nodige veranderd. Introdans ontwikkelde bijvoorbeeld al uitstekende educatieve en inclusiebeleidslijnen lang voordat die vast onderdeel werden van de Haagse oekazes. „Niet altijd bewust zo bedacht, maar wel het gevolg van mijn wens dans naar zo veel mogelijk mensen te brengen.”

Verplichte theepauzes

Sommige innovaties bevallen hem maar matig. Het clubje gedrevenen dat aanvankelijk zonder geld of faciliteiten begon te bouwen, is nu een groep goed opgeleide dansers met eigen studio’s, kantoren, kleedkamers en lange tourneelijsten. Én een cao. „Prima hoor, maar het slaat soms door. De werklijsten zijn tot op de minuut ingevuld, inclusief verplichte theepauzes en dergelijke.” Hij zucht. „Dan is een choreograaf net lekker bezig, krijg je gemor over vijf minuten. Dan moet de OR erbij worden gehaald. Jongens, het is een artistiek vak, geen baan bij de Hema! Hier heb je altijd van gedroomd! Natuurlijk moet je goed worden betaald, maar daar mag je soms toch wel iets voor offeren?” Hij onderbreekt zichzelf. „Ik zit nu enorm af te geven op dansers, hè? Dat is niet de bedoeling hoor. Ze weten dat ik er zo over denk hoor: niet zeuren, it’s all in the game. Sommigen nemen me dat niet in dank af, maar veruit de meesten zijn keiharde werkers en hun niveau springt per dag omhoog.”

Om zich heen kijkend constateert Wiggers dat veel gezelschappen die in de jaren zeventig werden opgericht zijn verdwenen of radicaal getransformeerd. ‘Zijn’ Introdans bestaat nog en opereert nog volgens dezelfde filosofie als bij het ontstaan: Roel Voorintholt, die Wiggers in 2005 als artistiek directeur opvolgde, bouwt succesvol verder op het fundament dat in 1971 werd gelegd.

„Ik geloof dat ik het aan het worden ben”, antwoordt Wiggers op de vraag of hij trots is. „Omdat ik de laatste tijd steeds hoor: zó fantastisch wat jij hebt gedaan. O ja? Nou dan zal het wel. Als eenvoudige balletboer uit het Oosten des lands is het me toch maar mooi gelukt.”

End of Season door Introdans. Apeldoorn, Zwolle, Arnhem, 23/6 t/m 2/7. Inl: introdans.nl