‘Zelfvertrouwen bouw je moeilijk op als je jaren in de jeugdgevangenis zit’

Dit ben ik Iedereen heeft verschillende identiteiten. Hoe worden we wie we zijn? Deze week: Faith Bruyning, die als kind terechtkwam in een jeugdgevangenis omdat er geen plaats was in de jeugdzorg.

Foto Simon Lenskens

‘Als kind van zeven ben ik ‘uit huis geplaatst’ – zoals dat heet. Ik ging tijdelijk bij mijn oma wonen. Zij nam de opvoeding over van mijn moeder. Al sinds mijn vierde jaar had ik het stempel ‘ots’ op mijn voorhoofd: ondertoezichtstelling.

„Op school ben ik veel gepest. Dat begon op de basisschool. Dan denk je: middelbare school, nieuwe stap, maar nee, ook daar werd ik met pestgedrag keihard buiten de groep gehouden. Ik probeerde mezelf populair te maken door een pleaser te zijn. Dat leidde tot een aantal verkeerde keuzes – zal ik maar zeggen.

„De Kinderbescherming plaatste mij in een gesloten instelling. Dat werd een jeugdgevangenis, eerst in Den Helder, later in Zeist. Ik was nergens voor veroordeeld, het was geen strafmaatregel. Er was op dat moment domweg geen plek in een andere jeugdinstelling.

„In de gevangenis gold één regime, ook voor mij, tweeënhalf jaar lang. ‘Beperkt contact met de buitenwereld’ en verder permanent opgesloten achter hekken en muren; ’s avonds je celdeur op slot; helemaal uitkleden als je bezoek had gehad, en drie keer bukken om te controleren of je niks had verstopt in een van je lichaamsopeningen.

„Mijn schoolcarrière vertoonde in die jaren een dalende lijn, dat zal niemand verbazen: van vwo, naar havo, naar vmbo. En vervolgens, na mijn achttiende, weer omhoog: van mbo, naar hbo rechten, een ‘schakelstudie’ aan de Open Universiteit en – sinds februari – een masterstudie strafrecht en conflicthantering aan de VU in Amsterdam.

„Eigenlijk durf ik dit verhaal nog maar sinds een jaar te vertellen. Ik schaamde me. Ik stopte het weg. Ik dacht alleen maar aan hard werken, vooruitkomen, het verleden achter me laten. Ik heb twee zoontjes, van twaalf en negen jaar. Ik dacht: ik wil hen niet belasten met wat ik heb meegemaakt. Zij verdienen het om gewoon kind te zijn, zij hebben recht op de beste opvoeding en een mooie toekomst. Mijn verhaal doet er niet toe.

Ik wil strijden voor een rechtvaardiger samenleving

„Nu denk ik: mijn verhaal doet er wél toe! Als je niet houdt van je eigen verhaal, dan houd je niet van jezelf. Dat kan verschillende oorzaken hebben, waarvan gebrek aan zelfvertrouwen een heel belangrijke is. Daaraan ontbrak het mij.

„Zelfvertrouwen bouw je ook moeilijk op in iets als een jeugdgevangenis. Begrijp me niet verkeerd, ik ben daar een paar fantastische begeleiders tegengekomen. Toen mijn vader plotseling overleed, schoof een van hen op Vaderdag een kaartje onder m’n gesloten deur door, met prachtige, troostende woorden. Maar evengoed werkten daar mensen die cynisch en afgestompt waren, zo van: ‘Ach, waarom zouden wij moeite voor jullie doen? – jullie zíjn niks en jullie worden niks.’

„Ieder mens schrijft z’n eigen levensverhaal, met zwarte bladzijden en vrolijk gekleurde pagina’s. Die zwarte bladzijden mag je niet weglaten, niet wegscheuren uit je verhaal. Want juist ook die moeilijke perioden maken je tot wie je bent.

„Ik vertel mijn verhaal niet om een beeld op te roepen van een zielig kind, dat in haar jeugd zoveel pech heeft gehad. Ik vertel het om te verklaren hoe ik nu, als volwassene, tot mijn eigen keuzes ben gekomen. Niet voor niets ben ik jurist geworden. Ik wil strijden voor een rechtvaardiger samenleving en voor veranderingen in de jeugdbescherming. Vandaar mijn hbo-rechtenstudie. Nu doe ik de masterstudie – niet voor de status, maar om mezelf verder te bekwamen voor de opdracht die ik mezelf heb gesteld.

„Sinds drie jaar werk ik als boetespecialist. Ik doe onderzoek naar ‘bestuurlijke boetes’ voor mensen met een bijstandsuitkering. Alles wat van invloed kan zijn op de hoogte en duur van hun uitkering moeten zij binnen vier weken doorgeven aan de gemeente: geld lenen, betaald werk doen, een erfenis krijgen – dat soort dingen.

„Natuurlijk, er zijn regels en wetten, en die zijn ook nodig. Maar daarachter moet je steeds de mens blijven zien. Ook hierin heeft ieder mens z’n eigen verhaal. Je kleurt de bestaande regelgeving in met menselijkheid.

‘Ik ben zelf een van de gedupeerden van de Toeslagenaffaire. Absurde gesprekken met ambtenaren heb ik daarover gevoerd. Je denkt: ik ben jurist, ik ben boetespecialist – míj overkomt dit niet… Maar het overkwam me dus wel.

„Toen ik las dat zich in Almere een groep vormde van lotgenoten, om elkaar bij te staan en naar oplossingen te zoeken, dacht ik: daaraan kan ik wel een bijdrage leveren, door wat ik zelf heb meegemaakt en door mijn werkervaring. Dit heeft me in contact gebracht met heel bijzondere vrouwen, met allemaal hun eigen verhaal én de ambitie om de samenleving rechtvaardiger te maken. Die verhalen vertellen we nu. Het is dankzij hun verhalen dat ik nu ook mijn héle verhaal durf te vertellen.”

Aanmeldingen: ditbenik@nrc.nl