Ze was een van de eerste vrouwelijke politieagenten van Nederland. Ze was mijn rolmodel

Japke-d. denkt mee

Sinds het overlijden van haar moeder voelt zich stuurloos. „Ze was het roer van m’n boot. Ze heeft mijn carrière bepaald.”
Illustratie Tomas Schats

Ik heb lang getwijfeld of ik iets over m’n moeder zou schrijven. Want m’n moeder is vorige maand overleden en daarom stond ik een paar weken niet in de krant. Maar vrijwel meteen dacht ik: wie zit daar nou op te wachten?

Aan de andere kant: als er íémand alles wist van carrière maken, tips voor op je werk en geld – waar deze rubriek over gaat – dan was het m’n moeder wel. Sterker nog: mijn moeder heeft m’n carrière bepaald. Ze was het roer van m’n boot, als ik het dramatisch zou zeggen.

En dus dacht ik: laat ik dáár dan iets over schrijven. Over wat ik van haar geleerd heb als het over werk gaat. Wat we van haar generatie vrouwen – m’n moeder is 81 geworden – kunnen leren. Hoe moeders als de mijne een historische kracht zijn geweest op de arbeidsmarkt, en hoe ze de koers van hun kinderen hebben bepaald.

Want m’n moeder wás m’n rolmodel. Een van de eerste vrouwelijke politieagenten van Nederland, hallo hé, hoe geweldig is dát om als klein meisje als voorbeeld te hebben.

Er is een foto uit de tijd van haar politieopleiding waarop ze staat terwijl ze haar dienstpistool richt, stijlvol gekleed in een petticoat – studenten kregen pas een uniform als ze afgestudeerd waren – ik zou bijna zeggen: badass. Als ik ernaar keek, was ik altijd trots op haar.

Want die foto was niet alleen stoer, maar ook een mooi contrast met haar afkomst: een ‘eenvoudig’ arbeidersmeisje uit de Groningse veenkoloniën dat niet mocht doorstuderen van haar ouders omdat ze dat te elitair vonden.

En dus moest ze op haar 16de (!) na de mulo (mavo) gaan werken op een doodsaai kantoor. Hoe het haar gelukt is om daarna toch nog in Hilversum op de politieschool te belanden, is me nog altijd een raadsel. Stel je eens voor hoeveel tegenwind ze heeft moeten overwinnen – niet alleen die van haar ouders, maar van de hele maatschappij waarin voor vrouwen die carrière maken toen nog amper plaats was.

Dat ze niet mocht studeren en als kind moest werken, heb ik altijd onverdraaglijk gevonden. Maar het grootste onrecht vond ik dat ze werd ontslagen bij de politie toen ze trouwde! Zo ging dat toen, bizar. Stel je eens voor, dat je zoveel plannen hebt met je leven en dat de een of andere achterlijke kerel in Den Haag daar een streep doorheen zet.

Ze leerde me dat ik voor mezelf moest kunnen zorgen. Dat je als vrouw je eigen huis kan betalen, je eigen boodschappen, je eigen auto. Dat je je eigen leven kunt leiden – natuurlijk heeft me dat gevormd.

Zo kan ik nog steeds niet goed begrijpen dat zoveel Nederlandse vrouwen financieel afhankelijk zijn van hun man als ze ook heel goed hun eigen brood zouden kunnen verdienen. M’n moeder vond dat ook moeilijk. Ze legde de lat hoog.

Zo moest ik van haar naar muziekles en naar het gymnasium, maar ook naar de universiteit – het hbo was onbespreekbaar – want „als je het kan, moet je het hoogst mogelijke proberen te halen”. Doorzetten, je best doen en je alleen ziek melden als je koorts hebt – als puber, als student én als ‘volwassene’ vond ik dat soms best lastig.

Mijn studie economie in Groningen, wat het uiteindelijk werd, was ook haar idee, zowel de stad als de studie. Ik vond het zelf best moeilijk klinken, economie, en nogal ver van huis, Groningen, maar toen ik er met haar rondliep om er kennis te maken, klikte het meteen – niet alleen met de faculteit maar ook met de ‘grote’ stad in het weidse ‘ommelaaand’ waar ze zelf vandaan kwam – het is toch fantastisch als je een moeder hebt die je zo op weg helpt?

Zelf heeft ze altijd gewerkt, zodra de kinderen naar school gingen, zoals dat toen ‘mocht’ van de samenleving.

En ze had leuke banen! Onder meer bij een drukkerij, bij een ingenieursbureau, bij de hts in Arnhem waar ze een enthousiaste en toegewijde stagecoördinator was.

Niet dat ze haar nuchtere, Groningse afkomst verloochende. Ze had een bloedhekel aan pochers, opscheppers en dikdoeners. Haar motto was: reik gerust naar de sterren, maar blijf wel altijd met beide voeten op de grond – geen gebakken lucht – een motto waar ik al mijn latere columns op zou baseren.

Ik heb zoveel van haar geleerd.

Ik had nog veel meer over haar willen schrijven. Over de liefdevolle knieval van burgemeester Marcouch toen hij haar haar lintje opspeldde. Over haar onstuitbare levenslust, ook toen ze door haar ziekte multiple sclerose niet meer kon lopen – over de Nacht van NRC waar ze altijd apetrots vooraan zat. Ik vond haar de leukste vrouw ter wereld.

Nu, een maand na haar overlijden, voelt het alsof er een gat in me zit. Alsof ik stuurloos op zee dobber. En dus blijf ik maar aan haar denken, zoals ik altijd gedaan heb.

Als ik opsta, als ik op de Utrechtse stadswal loop, als ik, zoals laatst, voor een volle zaal een presentatie sta te houden en het lukt en ik denk: dit doe ik en dat zou ze geweldig gevonden hebben.

Zo zal ze bij me blijven. Het kleine lichtje dat ze was, die onverwoestbare kracht die nu in mij verder gaat. Ik ga je missen, mam.

Ik zal je nooit vergeten.

Dit waren de Parels deze week op Twitter