Nog steeds is de vraag: wie hoort er wel of niet bij op 4 mei?

Ik moet In de moderne wereld moeten wij de hele tijd van alles, ziet schrijver . Aflevering tien van een serie: schone beloftes en de regels van 4 mei.

Illustratie XF&M

Wat moeten wij herdenken op 4 mei? Een oriëntatie in drie delen. I. We zitten thuis aan tafel en Lynn praat over een Israëlische man die we vandaag hebben ontmoet. Ze noemt hem „die Joodse man”.

Ik zeg dat hij Israëlisch is.

„Israëlisch is iets anders dan Joods?”, vraagt ze.

Ik zeg dat hij uiteraard ook Joods is, maar Israëli’s zijn inderdaad anders dan Nederlandse Joden. (Nooit zeggen: Joodse Nederlanders. Uit de geschiedenis is gebleken dat wij eerst Joden zijn, daarna pas Nederlanders.) Zo vertelde deze Israëlische man over het geweldige Oostenrijkse spahotel waar hij net was geweest.

„Oostenrijk?” had ik gevraagd. „Waarom zou je daar op vakantie gaan? Die waren in de oorlog nog fouter dan Duitsland zelf.”

De Israëlische man vond dat Europese Joden een keer moesten ophouden met steeds maar blijven zeuren over die ene oorlog. In Israël leefden ze al bijna 75 jaar in oorlog, zo bijzonder was het niet.

Terug aan tafel met Lynn. Ze zegt dat het zo ingewikkeld voor me moet zijn, al die onderverdelingen tussen verschillende categorieën Joden.

Ik vraag: „Weet je wat pas ingewikkeld is?” Mijn hele leven heb ik beweerd dat ik me niets hoefde aan te trekken van al die regeltjes in Nederland. In de oorlog hadden ze die ook – waarom zou ik me daarna nog moeten houden aan regeltjes die dubieus worden vastgesteld en dan ineens gelden als de wet?

Het probleem is alleen dat tegenwoordig half Nederland zich niet meer aan de regeltjes wil houden. In het jaar sinds de vorige 4 mei zijn tienduizenden creatieve denkers, met zo’n schalkse gele ster op hun jasje, in de veronderstelling geweest dat een QR-code gelijkstaat aan genocide. Eindstand: nu kan ik niet meer geloofwaardig roepen dat ik me in dit land niet aan de regeltjes hoef te houden.

Lynn begrijpt dat het inderdaad een heel probleem is.

„En weet je wat ook zo oneerlijk is?”, vraag ik. De familie van mijn moeder vluchtte van land naar land. In vier generaties ben ik de eerste die kinderen krijgt in het land waar ik zelf ben geboren. Natuurlijk hou ik van Nederland, alleen: tja, het is ook maar waar ik toevallig uit mijn moeder ben gekomen. Als kind van de Joodse diaspora had het net zo goed in een ander land kunnen zijn.

Maar dit kan ik ook al niet meer hardop zeggen. Want dan roepen de extreem-rechtse gekkies die tegenwoordig gewoon in de Tweede Kamer zitten: ha, zie je wel, die Joden zijn allemaal Soros-globalisten die geen loyaliteit voelen aan het Europese land dat ze ondermijnen.

II.

Ruim tien jaar geleden zat ik ook aan een tafel: van de talkshow Z.O.Z. Vlak voor de opnames begonnen, wees presentator Anil Ramdas naar zichzelf en de twee andere gasten, Hans Sahar en Inci Pamuk, en richtte zich daarna tot mij: „Daar zit je dan, tussen de allochtonen.”

Ik bekeek de andere gasten, kinderen van Marokkaanse en Turkse gastarbeiders. De presentator, inmiddels overleden, was van Surinaams-Hindoestaanse afkomst. Wat bedoelde hij? Dat aan deze tafel alleen míjn familie in Nederland was vervolgd en vermoord om hun afkomst, minder dan drie decennia voordat ik werd geboren?

III.

Dat zelfs een intelligente man als Anil Ramdas het niet zag, betekent iets, denk ik. In het dagelijks leven, buiten 4 mei om, maken wij bij iedereen met een ‘buitenlands’ klinkende naam of uiterlijk een onzichtbare notitie. In ons hoofd strepen we het af: die behoort tot een minderheid.

Voor Joden geldt dit, ook na al die herdenkingen, nog steeds niet. Bij het tellen van de zeven vinkjes worden Joden gewoon meegeteld als wit. Alleen gaat de term ‘wit’ – of ‘blank’ voor de liefhebber – over meer dan een huidskleur. Het betekent ook: veilig, horend bij de meerderheid in Europa, hoeft niet bang te zijn voor vervolging of ander geweld vanwege hun afkomst. Al die dingen waren Joden niet en we zijn het nog steeds niet.

Op 4 mei blijft het traditionele nationale gezelschapsspel: wat moeten we nu precies herdenken? Ieder jaar houden we brave ceremonies met ontroerende toespraken en schone beloftes over ‘dit nooit meer’, maar durven we werkelijk de confrontatie aan met wat er is gebeurd en welke rol dat ook nu nog speelt in Nederland? Als Joden hier ‘gewoon erbij horen’, waarom werden er dan 102.000 van vermoord, zonder noemenswaardig verzet van de meeste Nederlanders? Of hoorden ze er toch niet bij? Maar waarom doen we dan nu, amper tachtig jaar later, alsof dat wel zo is?