Zo ziet de vlucht van de Afghanen eruit

Vluchtelingen De machtsovername van de Taliban brengt een nieuwe exodus uit Afghanistan op gang. Maar waar kunnen de vluchtelingen naartoe? Om een beeld te krijgen van wat hun te wachten staat, sprak NRC Afghanen in vier landen op de route naar Europa. Conclusie: het is een afvalrace en Afghanen krijgen nergens de zekerheid dat ze mogen blijven.

Veel Afghanen willen hun land ontvluchten. Een fractie komt in aanmerking voor evacuatie, bijvoorbeeld omdat ze voor de NAVO-troepen hebben gewerkt. Maar de meesten zijn afhankelijk van smokkelaars op de lange en gevaarlijke reis naar de buurlanden, of verder naar Turkije en Europa.

Sinds de val van Kabul, in augustus, vrezen Europese politici een herhaling van de vluchtelingencrisis van 2015, toen 1,3 miljoen mensen via Turkije doorreisden naar Europa. En ook nu vluchten de Afghanen westwaarts, getuige de 700.000 van hen die de afgelopen zes maanden in Iran zijn aangekomen. In landen als Iran en Turkije hebben ze het zwaar, dus ze willen door.

Maar slechts een klein deel van hen zal Nederland bereiken. De reis duurt jaren en is sinds 2015 moeilijker geworden, door nieuwe grensmuren, extra patrouilles en deportaties.


Onderweg zijn de Afghanen nergens welkom. Alle buurlanden hebben hun grenzen gesloten voor vluchtelingen, ondanks een dringende oproep van de VN om ze open te houden.

De Afghanen bleken voortdurend onderweg en daardoor moeilijk te spreken. Ze wisselden vaak van simkaart en woning en wilden soms anoniem blijven. Maak kennis met vier van hen.

Eerste etappe: Iran

Salehe Afshar (20)

„Ik ben als het ware een geest. Voor de Iraanse autoriteiten besta ik niet, ook al ben ik hier geboren.”

Na Pakistan, waar sinds januari al zo’n 28.000 Afghanen asiel hebben aangevraagd, zijn de meeste Afghanen afgelopen decennia naar Iran gevlucht. Mensen steken de grens met Iran soms direct over in het westen, soms gaan ze via de zuidwestelijke provincie Nimruz.

Die reis verloopt via smokkelaars, over bergen en door de woestijn naar de Pakistaanse grens, waar echter de bouw van een grensmuur dit jaar voltooid is. Via Pakistan steken ze over naar Iran. Ook de Iraanse grensbewaking is flink opgeschroefd.

Officieel waren er eind 2020 780.000 Afghanen in Iran, officieus zo’n vier miljoen. In de afgelopen zes maanden bereikten volgens schattingen van de ngo HAMI zo’n 700.000 Afghaanse vluchtelingen Iran. De Afghaanse vluchtelingen kunnen niet legaal in Iran blijven. Ook worden ze massaal teruggestuurd: 859.000 alleen al in 2020.

Voor veel Afghanen is buurland Iran de eerste etappe op hun vlucht, en voor de twintigjarige Salehe Afshar duurt die etappe al haar hele leven. Haar ouders ontvluchtten Afghanistan in de jaren negentig, de vorige keer dat de Taliban aan de macht waren. Ze kregen nooit Iraanse verblijfspapieren, en de in Iran geboren Salehe ook niet.

Salehe en haar ouders behoren tot de Hazara, een etnische minderheid in Afghanistan die de sjiitische islam aanhangt. „Mijn vader vocht in de frontlinie tegen de Taliban”, vertelt Salehe aan de telefoon. In het begin klinkt ze schuchter, maar naarmate het gesprek vordert werpt ze haar schroom af. „Hij werd gevangengenomen door de Taliban en zat korte tijd vast. Toen hij werd vrijgelaten, besloten mijn ouders hun bezittingen te verkopen en naar Iran te vluchten.”


Zoals de meeste Afghanen in Iran vond Salehe’s vader geen vaste baan. Om te overleven accepteerde hij elk soort werk, wat in de praktijk neerkwam op zware, fysieke arbeid. „In de zomer werkte hij in de bouw, in de winter bouwde hij kassen voor de landbouw.”

In 2010 vertrok haar vader naar de stad Arak, waar hij aan de slag kon bij een bedrijf dat kassen bouwt. Maar hij werd aangevallen door een groep Iraniërs, onder wie een ontslagen oud-medewerker van het bedrijf. Die beschuldigde Afshar ervan zijn baan te hebben ingepikt. „Ze zeiden: ‘Waarom komt een Afghaan naar onze stad voor werk?’”, vertelt Salehe. „Ze staken mijn vader met een mes, vlak bij zijn hart. Hij had acht hechtingen in zijn schouder.”

Als ongeregistreerde vluchteling had Salehe geen recht op onderwijs. Daarom ging ze naar een illegale school. Die was gevestigd in het huis van een Afghaans gezin dat heimelijk lesgaf aan Afghaanse kinderen. Salehe was graag naar de universiteit gegaan, maar kon het collegegeld niet betalen. Ze wilde geen geld aan haar vader vragen, aangezien hij zelf nauwelijks kon rondkomen. „En de universiteit zou me toch niet accepteren omdat ik geen identiteitspapieren heb.”

Haar strijdlust kon ze een tijd lang kwijt in kungfu. „Ik deed mee aan de voorrondes voor de staatscompetitie en won al mijn wedstrijden. Het was de beste tijd van mijn leven.” Maar ze bleek zonder geldig identiteitsbewijs niet aan de staatscompetitie deel te mogen nemen. „Op dat moment begreep ik dat Afghanen in Iran stelselmatig worden afgewezen”, zegt ze bitter. „Ik ben hier geboren en getogen. Ik heb hier door de straten gelopen, ben hier naar school gegaan. Ik dacht dat ik deel uitmaakte van de samenleving. Maar ik realiseerde me toen dat ik al die tijd een verstotene was.”


Vier jaar geleden besloot het gezin terug te gaan naar Afghanistan. Salehe’s vader had genoeg van hun precaire situatie en zijn broer had een goedbetaalde baan gekregen als vertaler voor de NAVO-troepen. Maar na de val van Kabul in augustus kreeg de familie bezoek van de Taliban. „Ze sloegen mijn oom in elkaar en ik vluchtte naar buiten. Toen ik terugkwam, was het huis kort en klein geslagen en kon ik mijn ouders nergens vinden. Ik besloot twee maanden geleden alleen terug naar Iran te gaan. Ik heb geen huis, verblijf bij vrienden.” Ze weet nog steeds niet wat er met haar ouders is gebeurd. „Ik huil mezelf elke nacht in slaap.”

In Iran ziet ze voor zichzelf geen toekomst. „Voor een Afghaan is het hier niet mogelijk een huis, auto of zelfs maar een simkaart te hebben. Het idee een huis te bezitten is zowel een droom als een grap voor me. Zelfs als je als Afghaan genoeg geld zou verdienen, zou je het huis niet op jouw naam kunnen laten registreren. Je moet een Iraniër benaderen en smeken het op zijn naam te zetten. Afghanen worden daarbij vaak belazerd.”

Veel Afghanen zijn vertrokken naar Turkije of Europa in. Salehe heeft al van veel vrienden en familieleden afscheid moeten nemen. Overweegt ze zelf weleens om ook ergens anders heen te gaan? „Natuurlijk speel ik met dat idee”, zegt ze. „Er is geen Afghaan in Iran die geen plannen in die richting heeft.” Maar waar kan ze heen? „Turkije en Griekenland hebben muren gebouwd en sturen Afghanen terug. We worden nergens op de wereld geaccepteerd. Het is alsof we niet tot de mensheid behoren.”

Tweede etappe: Turkije

Karim Muzafari (26)

Karim Muzafari zit op een bankje aan de Bosporus. Het is avond en Istanbul is gehuld in dichte mist. De bomen in het park zijn zwarte gedaanten die druipend langs het voetpad staan, uitgelicht door het zachte schijnsel van straatlantaarns.

De mist stelt Muzafari op zijn gemak: vanavond hoeft hij niet op zijn hoede te zijn voor de politie. „Er zijn veel meer deportaties dan een paar jaar geleden. Ik heb gehoord dat de politie ongeregistreerde Afghanen tegenwoordig meteen naar Iran stuurt. Daarom mijd ik drukke openbare plekken, zoals markten, stations, en winkelstraten. Gelukkig heeft dit park meerdere uitvalswegen.”

In Turkije bevindt zich het grootsteaantal vluchtelingen ter wereld. Na de zo’n 3,6 miljoen Syriërs zijn Afghanen er de grootste groep. Officieel zijn er in Turkije 300.000 Afghanen, officieus rond de 600.000.

De reis van Iran naar Turkije wordt bemoeilijkt door de bouw van een grensmuur en de komst van tweehonderd bewakingstorens, neergezet met behulp van EU-geld. Volgens schattingen steken er dagelijks niettemin honderden mensen de Turkse grens over.

Afghaanse vluchtelingen in Turkije kunnen moeilijk een verblijfsvergunning krijgen. De Turkse politie maakt het hun lastig. Ze worden in groten getale opgepakt en soms teruggestuurd. De afgelopen jaren werden tienduizenden Afghanen door Turkije uitgezet.

Muzafari komt uit de Afghaanse stad Kunduz, waar zijn ouders werkten als leraar. „We zijn mensen van de pen, niet van het zwaard.” Toen de Taliban in 2015 kortstondig Kunduz heroverden, werd Muzafari door zijn ouders naar Turkije gestuurd om geld te verdienen, en de familie in Afghanistan te ondersteunen. Via een vriend kwam hij in contact met smokkelaars die hem konden brengen. „Het moeilijkste deel waren de bergen op de grens tussen Iran en Turkije. We moesten een week achtereen lopen en raakten door ons water en voedsel heen. We werden vier keer opgepakt door de Turkse politie en terug naar Iran gestuurd.”


Muzafari kwam terecht in Zeytinburnu, een wijk in Istanbul die fungeert als draaischrijf voor Afghaanse vluchtelingen. Het is een wijk van naaiateliers en leerfabrieken, in veel etalages liggen stapels dierenhuiden. Veel Afghanen blijven hier na aankomst wonen. De rest vertrekt naar andere Turkse steden, of probeert de Griekse eilanden te bereiken. Smokkelaars zijn in Zeytinburnu zo te vinden.

Muzafari blijft. „Ik ben tuinman en ober geweest, ik heb in een textielfabriek en een parkeergarage gewerkt. Ik heb auto’s en borden gewassen.” In de eerste jaren kon hij genoeg geld terugsturen naar zijn familie. „Maar sinds de pandemie is alles veel duurder en is het moeilijker om werk te vinden. Mijn familie blijft erop aandringen dat ik geld stuur. Ik heb ze verteld dat ik dat nu niet kan omdat de lira veel van zijn waarde is kwijtgeraakt, en omdat ik net mijn baan kwijt ben en geen geld heb.”

Zijn familie heeft het geld meer dan ooit nodig na de machtsovername van de Taliban. Zijn vader krijgt als leraar geen salaris meer. „Mijn familie heeft mijn jongste broer naar Dubai gestuurd om te werken. Ze overwegen te vertrekken uit Afghanistan. Iedereen wil weg nu de winter eraan komt.”


Na zes jaar Turkije voelt Muzafari zich nog steeds niet behandeld als volwaardig mens. „Neem de busrit hiernaartoe. De chauffeur blafte me toe dat ik achterin moest gaan zitten. Veel mensen denken dat we hun banen en rechten inpikken, vooral de Koerden. Ik ben naar Turkije gekomen vol dromen. Ik wilde psychologie gaan studeren en marathonloper worden. Dat is niet gelukt.”

Zoals de meeste Afghanen in Turkije leeft Muzafari geïsoleerd en onzichtbaar aan de rafelranden van de samenleving, zonder steun van internationale hulporganisaties of de Turkse overheid. Want in tegenstelling tot de Syrische vluchtelingen in Turkije komen Afghanen niet in aanmerking voor een tijdelijke beschermingsstatus en financiële steun van Europa. En net als in Iran is het als Afghaanse vluchteling in Turkije erg moeilijk om een verblijfsvergunning te krijgen, zeker voor een alleenstaande man.


Zonder verblijfsvergunning kan Muzafari niet zelf een huis huren. Hij deelt een appartement met twaalf andere jongens, dat op naam staat van een Afghaanse vriend met papieren. Hij betaalt 1.800 lira (160 euro) voor een kamer die hij met vier anderen deelt. „Mijn kamergenoten staan veel negatiever in het leven dan ik. Ik wil optimistisch blijven, maar daar zijn ze niet van gediend. Als er spanningen zijn in huis, vlucht ik naar het park om te wandelen of te mediteren. Dat maakt mijn hoofd leeg.”

Muzafari heeft veel mensen zien vertrekken naar Europa. De reis is de afgelopen jaren veel moeilijker en duurder geworden: tussen de 4.000 en 5.000 dollar. Hij heeft zelf ook één keer overwogen om te gaan, samen met een vriend, die al contact had gelegd met smokkelaars. „Maar mijn familie wilde niet dat ik ging. Ze waren bang dat ik onderweg zou sterven. Ik heb veel verhalen gehoord van mensen die zijn verdronken in zee of anderszins aan hun eind zijn gekomen.”

Derde etappe: Griekenland

Parwana Amiri (17)

I would have never imagined that I would witness such scenes in the margins of great Europe. My diary is full of black, colourless memories you have caused and created.
Let me ask you this:
Can we be one of you?
Integrate with you?
Can we live together?
In the same society for ever?

Dit citaat komt uit het boek Letters to the World from Moria, dat de Afghaanse vluchtelinge Parwana Amiri schreef in opvangkamp Moria, twee weken nadat ze was aangekomen op het Griekse eiland Lesbos. In elk van de brieven kiest ze een ander perspectief: een jongen die bang is zichzelf te verliezen, een jonge vrouw die misbruikt wordt door de mannen om haar heen, een trans persoon. Ze schreef haar brieven meestal ’s nachts, bij het licht van een zaklamp, in de tent die ze deelde met haar gezin van acht in de olijfboomgaard rond Moria.

Officieel zijn er 40.000 Afghanen in Griekenland. De reis van Turkije naar Griekenland wordt steeds lastiger: op zee voeren de Griekse autoriteiten illegale pushbacks uit, op de landsgrens is een hekwerk met surveillancesystemen gebouwd.

Hoeveel Afghanen er de afgelopen tijd precies zijn aangekomen, is niet bekend. Wel kwamen er dit jaar tot eind augustus ruim 600 Afghanen over zee aan, en vroegen in september 2.200 Afghanen asiel, het hoogste aantal dit jaar.

De Afghaanse vluchtelingen maken in Griekenland kans op asiel, maar in 2020 werden ruim vier op de vijf aanvragen afgewezen. Ongeveer de helft van de Afghanen in Griekenland vraagt geen asiel aan; zij denken meer kans te maken als ze doorreizen naar een ander Europees land.

Met het bereiken van Griekenland komt er geen einde aan de onzekerheid van de Afghanen. Tot 2020 honoreerde het land ongeveer de helft van de Afghaanse asielaanvragen, maar vorig jaar wees het meer dan vier op de vijf aanvragen af. De meeste Afghanen willen door, maar moeten daarvoor buiten de kampen geld verdienen om een smokkelaar te kunnen betalen.

Amiri staat geregeld de internationale pers te woord, neemt deel aan webinars van hulporganisaties en organiseert demonstraties. „De onrust onder Afghanen in de opvangkampen neemt toe”, zegt ze telefonisch. „Dat komt door de trage, onzekere asielprocedures en de steeds verdere inperking van onze bewegingsvrijheid.”

Amiri (17) komt uit de Afghaanse stad Herat. „We zijn in 2017 plotseling gevlucht omdat mijn vader om politieke redenen werd bedreigd. We reisden via Pakistan en Iran naar Turkije, waar we werden opgepakt door de politie en op het vliegtuig terug naar Afghanistan werden gezet. Toen moesten we opnieuw de grens met Pakistan en Iran oversteken. De tweede keer zijn we anderhalf jaar in Turkije gebleven.”


De Egeïsche Zee is de slotgracht van Fort Europa. Pas na vier pogingen wist de familie Amiri in september 2019 Lesbos te bereiken. „Twee eerdere pogingen werden verijdeld door de Turkse kustwacht en een andere keer werden we onderschept door de Griekse kustwacht en teruggebracht naar Turkse wateren.” Deze ‘pushbacks’ zijn een belangrijke oorzaak voor het feit dat er in 2020 veel minder (9.714) asielzoekers in Griekenland aankwamen dan in 2019 (59.726).

Parwana arriveerde op Lesbos in dezelfde maand dat het opvangkamp Moria in de as werd gelegd bij een reeks branden. Daarvoor werden enkele Afghaanse vluchtelingen dit jaar veroordeeld tot tien jaar celstraf. De familie Amiri werd begin 2020 overgeplaatst naar het opvangkamp Ritsona op het vasteland, een uur ten noorden van Athene.

„Aanvankelijk waren we blij met onze nieuwe plek”, zegt Amiri. Ritsona is een klein kamp, waar zeshonderd voornamelijk Afghaanse en Koerdische asielzoekers wonen in witte containerwoningen tussen pijnbomen en heuvelachtige akkers. „Maar dat veranderde toen we ons realiseerden dat we ver van de stad zaten, en dat er geen vervoer en voorzieningen waren.”


De prikkeldraadhekken rond het kamp zijn in de zomer vervangen door betonnen muren, officieel om de veiligheid te verbeteren en de controle op wie het kamp in en uit gaat. Amiri: „Veel bewoners voelen zich opgesloten.”

Ze groeide uit tot de informele leider van de Afghaanse gemeenschap in Ritsona – al ziet ze zichzelf niet zo. „Leider vind ik een te groot woord. Maar zo zien veel mensen me wel. Want ík begon de beweging, ik begon de revolutie, ík begon mensen bewust te maken van onze situatie.”

Een van de zaken waartegen de vluchtelingen in Ritsona protesteerden, is het feit dat de Griekse autoriteiten in juni Turkije bestempelden als veilig land voor vluchtelingen uit Afghanistan, Syrië, Pakistan, Bangladesh en Somalië. Sindsdien worden de asielverzoeken van mensen uit deze landen meestal afgewezen. Het besluit sloeg in als een bom in Ritsona, vertelt Amiri. „Mensen zijn doodsbang om teruggestuurd te worden naar Turkije, of op het vliegtuig naar Afghanistan te worden gezet”, zegt Amiri. „Velen verlaten het kamp, om geld te verdienen en met behulp van smokkelaars door te reizen naar andere Europese landen.” Daar hopen ze meer kans te maken op asiel. De verschillen in Europa zijn groot: in Ierland is de kans op asiel 74 procent, in Tsjechië 11 procent.

Amiri’s gezin heeft onlangs een positief antwoord gekregen op hun asielverzoek in Griekenland. Dus ze zullen binnenkort het kamp verlaten. Maar ze weten nog niet waar ze naartoe gaan. „Ik heb een studiebeurs gekregen in Polen, maar mijn familie wilde me niet laten gaan. Dat vond ik moeilijk om te accepteren. Ik wil de wereld in, nieuwe dingen leren.”

Vierde etappe: Nederland

Ebrahim (23)

Ebrahim is een van de relatief weinige Afghaanse vluchtelingen die Nederland hebben bereikt. Hij arriveerde in 2015, toen veel mensen erin slaagden om via Turkije en Griekenland de EU binnen te komen.

Hij volgt in Utrecht een mbo-opleiding tot monteur van elektrotechnische installaties. Maar terwijl de Taliban overal in Afghanistan oprukken, kreeg Ebrahim eerder dit jaar voor de tweede keer geen asielvergunning.

Officieel zijn er 52.000 Afghanen in Nederland.

Sinds afgelopen zomer hebben 2.800 Afghanen asiel aangevraagd in Nederland. Ongeveer de helft van de asielaanvragen van Afghanen wordt gehonoreerd.

De tocht van Griekenland naar Nederland is steeds lastiger; vooral Balkanlanden als Bosnië en Kroatië slaan vluchtelingen steeds harder terug naar waar ze vandaan komen.

De 23-jarige Afghaan groeide op in een dorpje in de noordelijke provincie Sar-e Pol met zijn moeder, twee zusjes, broer en een oom, en zijn inmiddels overleden vader. Ebrahim werkte op het land van de familie. Naar een gewone school ging hij niet. Lezen en schrijven leerde hij op de Koranschool, vertelt hij tijdens verhoren van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), die NRC inzag.

In de zomer van 2015 werd duidelijk dat Ebrahims naam op een wervingslijst van de lokale Taliban stond. Volgens hem rekruteerden de Taliban jongens voor de gewapende strijd tegen buitenlandse troepen in Afghanistan. Als Ebrahim zou worden gepakt, moest hij meevechten of werd hij als kindprostitué (bacha bazi) gebruikt, vertelde hij de IND later. Zijn oom besloot dat hij het land moest verlaten.


„Met een vriend van mijn oom ging ik naar Kabul, en vanaf daar naar Kandahar, met de bus. Via Kandahar naar Pakistan, en door naar Iran. Dat was een moeilijke reis, we moesten door de bergen lopen, en soms zaten we met tien mensen in een kleine auto.” Na drie weken kwam Ebrahim aan in Teheran, waar hij via een mensensmokkelaar zijn reis voortzette naar Istanbul, deze keer zonder bekenden. In het noorden van Iran trok de groep vluchtelingen naar de grens met Turkije. „We kwamen bewaking tegen, ik geloof de Iraanse politie, waarvoor we moesten vluchten en de hele weg door de bergen weer teruglopen. Een andere nacht zijn we teruggegaan en de grens overgestoken.”

Eenmaal in Istanbul leerde hij andere Afghanen kennen, met wie hij een maand later naar Griekenland vertrok. Hij was een van de vele duizenden vluchtelingen die Europa in 2015 zouden bereiken. Te voet, in bussen en per trein reisde Ebrahim binnen enkele weken van Griekenland, via Macedonië en Slovenië naar Oostenrijk en Duitsland. Zo kwam hij uiteindelijk in Nederland aan. Het zwaarst vond hij het lange reizen, de kou, het slapen op de grond.


In Nederland verbleef Ebrahim de afgelopen jaren in vijf verschillende asielzoekerscentra, zwierf hij rond, verbleef in de noodopvang, bij vrienden thuis. Hij ging in beroep en in hoger beroep. Een onafhankelijke expert, die de IND zelf ook als inlichtingenbron gebruikt, bevestigt dat Ebrahim op de wervingslijst van de Taliban staat. Maar de IND blijft zijn verhaal op een aantal punten ongeloofwaardig vinden. Ebrahim heeft volgens de dienst niet aannemelijk gemaakt dat hij zo veel gevaar loopt dat hij niet terug kan naar Afghanistan.

Tot er deze zomer een besluit- en vertrekmoratorium werd afgekondigd. Door de escalerende situatie en machtsovername door de Taliban hoeven uitgeprocedeerde asielzoekers zeker een half jaar niet meer verplicht te vertrekken. Ebrahim kreeg een voorlopige verblijfsvergunning. „Ik heb nu wel hoop, ik mag alles doen, een rijbewijs halen, werken.” Maar als Afghanistan weer veilig wordt verklaard, moet hij terug.

Ruim zes jaar na zijn vlucht leeft hij dus nog steeds in onzekerheid. Met zijn familie heeft hij al meer dan vier jaar geen contact. Het zou te gevaarljik zijn. „Voor mij besloot mijn oom dat ik moest gaan. Ik zou mensen niet aanraden om zomaar hun land te verlaten. Maar als je echt moet, doe het via de legale weg, met een paspoort. Niet illegaal met een mensensmokkelaar, het is te gevaarlijk.”