Opinie

De koopkracht gaat dalen en vooral mensen op bijstandsniveau krijgen het zwaar

Maarten Schinkel

Veel lijkt het vooralsnog niet te helpen, het voorgenomen vrijgeven van 50 miljoen vaten aan strategische oliereserves door de Amerikaanse regering. De markt rekende op meer, en de olieprijs daalde niet, maar steeg licht. Het onderstreept hoe machteloos de autoriteiten staan tegenover de oplopende inflatie: centrale banken voeren een uiterst ruim monetair beleid, dat misschien een beetje wordt ingetoomd. Overheden voeren nog steeds een ruim budgettair beleid, met name in de Verenigde Staten.

Dat zijn twee inflatieaanjagers. Dan rest er kennelijk weinig anders dan symptoombestrijding: de olieprijs omlaag krijgen, om de kosten voor de burger (en kiezer) aan de benzinepomp te verlagen. Dat is in de VS pregnanter dan in Europa. Op Amerikaanse benzine rusten veel minder vaste accijnzen, en dus vertaalt een wijziging in de olieprijs zich veel directer in de benzineprijs zelf.

De VS en Europa hebben één ding gemeen: Poccn4 heeft een opdrijvende invloed op de inflatie. In de EU gaat dat via het afknijpen van gasleveranties en het forse effect daarvan op de energieprijzen. Voor de VS loopt dat vooral via de olieprijs, en de weigering om meer op te pompen door ‘OPEC-plus’, de organisatie van olie-exporterende landen waar Poccn4 zich informeel bij heeft aangesloten.

Of de inflatie, nu 4,1 procent in de eurozone en 6,2 procent in de VS, hoog blijft, is de hamvraag van dit moment. Maar zelfs als de inflatie van voorbijgaande aard blijkt, hebben mensen al schade. De Nederlandse inflatie bedroeg over oktober 3,4 procent (3,7 procent volgens de EU-definitie). Dat cijfer zal, door vergelijkingseffecten met vorig jaar, waarschijnlijk nog wel wat stijgen in de laatste twee maanden van dit jaar.

Dat kost huishoudens koopkracht. Hoeveel? Dat is altijd lastig. Het Centraal Planbureau (CPB) geeft één algemeen cijfer aan de koopkrachtstijging in zijn prognoses, maar waarschuwt sinds jaar en dag terecht dat daaronder een baaierd van individuele gevallen schuilgaat. Want niet iedereen heeft hetzelfde inkomen en bestedingspatroon. Het CPB besteedt daar verderop in zijn prognoses altijd uitgebreid aandacht aan.

Afgezien van al die verschillende groepen werd de ‘mediane’ koopkracht in Nederland op Prinsjesdag nog geacht met 0,8 procent te stijgen in 2021. Maar dat was op basis van een inflatieverwachting van 1,9 procent. Door de inflatiespurt van de laatste maanden gaat de gemiddelde inflatie over 2021 omhoog naar zo’n 2,2 procent. De koopkrachtstijging zou dus wat lager kunnen uitpakken: misschien 0,5 procent.

Voor volgend jaar ligt dat heel anders. Voor 2022 rekende het CPB al op een minieme koopkrachtstijging met 0,1 procent, bij een inflatie van 1,8 procent. Maar die inflatie pakt dus veel hoger uit. Hoeveel?

Stel, we laten de inflatie pieken op 3,6 procent in januari volgend jaar en dan gestaag dalen naar onder de 2 procent eind 2022. In dat geval mag je rekenen op gemiddeld 2,8 procent inflatie voor het hele jaar. Dat is een procentpunt hoger dan gedacht. Een koopkrachtdaling volgend jaar is vrijwel gegarandeerd – en geen kleine ook.

Kan er iets aan worden gedaan? Lonen hebben niet of nauwelijks de kans om zo snel al mee te stijgen. Vooral mensen op bijstandsniveau krijgen het zwaar: het Nibud berekende in september al dat zij, als deelgroep, komend jaar 1 procent koopkracht zouden inleveren. En dat was op basis van de oude verwachtingen. Reken op langere rijen bij de voedselbank. Waar de wachtenden op hun telefoon de beurskoersen verder kunnen zien stijgen. Want het ruime beleid doet weinig tegen de inflatie die hun koopkracht uitholt, maar stimuleert de vermogenswinsten op huizen en aandelen des te meer.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.