‘Executies en systematische martelingen in Nederlandse gevangenissen op Bali’

Boek Historica Anne-Lot Hoek sprak voor haar boek De strijd om Bali met ruim honderd getuigen en nabestaanden en onthult extreem wrede behandelingen van politieke gevangenen door Nederland vanaf 1946.

Het uitladen van rijst bij de tangsi van Pempatan, waar een aantal gevangenen vastgebonden in de voorgalerij ligt.
Het uitladen van rijst bij de tangsi van Pempatan, waar een aantal gevangenen vastgebonden in de voorgalerij ligt. Uit: Gedenkboek De Gadja Merah op Bali en Lombok

Het Nederlands gezag heeft op het Indonesische eiland Bali vanaf 1946 een systeem opgetuigd van tientallen gevangenenkampen waar martelen standaardpraktijk was en vele Balinezen zijn geëxecuteerd.

Lees ook de recensie van De strijd om Bali: Dit boek doet gruwelijke onthullingen over de geheime Nederlandse gevangenissen op Bali

Dat schrijft historica Anne-Lot Hoek in De strijd om Bali dat donderdag verschijnt. Hoek, die sinds 2013 onderzoek doet naar de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog (1945-49), in het bijzonder op Bali, sprak met meer dan honderd getuigen, nabestaanden en direct betrokken oud-militairen op Bali en in Nederland. Ook putte ze uit ongepubliceerde memoires van Nederlanders en Balinezen.

Over het systematisch opsluiten en de extreem wrede behandeling van vermeende politieke tegenstanders in 25 van de zogeheten tangsi’s op Bali is in de officiële geschiedschrijving tot nu toe hoegenaamd niets bekend, ook omdat het voor de buitenwereld actief werd afgeschermd.

‘Federale oplossing’

Het is opmerkelijk dat Nederland al kort na de Tweede Wereldoorlog en de Japanse bezetting met systematisch interneren begon. Soekarno had in 1945 de onafhankelijkheid uitgeroepen, maar in 1946 geloofde Nederland in een ‘federale oplossing’, waarbij het Republiek Indonesië op Java en Sumatra zou erkennen, en het oostelijk deel van de archipel, waaronder Bali en Celebes (het huidige Sulawesi), vreedzaam en loyaal onder Nederlands gezag zou blijven.

De eerste zogeheten ‘politionele actie’, op Java en Sumatra, begon pas in juli 1947. Op Bali gold al sinds 1946 ‘staatsnoodrecht’ dat het Nederlands gezag speciale bevoegdheden gaf. Hoek spreekt van „een full swing politiestaat”, „een gewelddadige schemerwereld die Nederlanders op Bali hadden gecreëerd”, waarbinnen marteling en executies „systematisch” waren.

Lokale tegenstand

Hoek betoogt dat de lokale weerstand op Bali tegen een nieuw Nederlands bestuur van meet af aan veel groter was dan werd verwacht. Na de landing van tweeduizend Nederlandse militairen op Bali in maart 1946, een half jaar na het uitroepen van de onafhankelijkheid, ontbrandde op Bali het verzet, zowel door Indonesische militairen die orders van Soekarno uitvoerden en later ondergronds gingen, als van een bredere republiekgezinde volksbeweging onder Balinese burgers.

Nederland probeerde politieke en militaire tegenstand met geweld de kop in te drukken, ook omdat een guerrilla in een vermeend loyaal landsdeel in de internationale beeldvorming, waar steun voor een ‘Indonesische federatie onder Nederlandse kroon’ essentieel was, slecht paste, schrijft Hoek.

Ambtenaar met gewetensnood

De ‘tangsi’s’ waren deels nieuw-gebouwde kampen, deels legerposten die eerder door de Japanse bezetter waren gebruikt. Ze stonden over het eiland verspreid, maar het geweld was het meest extreem in gebieden waar het verzet het hevigst was. Ze waren in gebruik tot 1949, toen Nederland de soevereiniteit overdroeg.

Volgens Siebe Lijftogt, een bestuursambtenaar op Bali met gewetensnood, een van Hoeks bronnen, zaten halverwege 1947 op Bali zo’n 10.000 mensen gevangen „om politieke redenen”. Gedurende de verhoren was marteling – slaan, elektrische schokken, langdurig in de zon zetten, eten en drinken onthouden – standaardpraktijk om bekentenissen af te dwingen, blijkt uit Hoeks onderzoek. Geregeld werden gevangenen zonder proces geëxecuteerd.

Een van de foto’s van veteraan Charles Destrée met door het Nederlandse leger gedode Balinese strijders in Wanasari, 5 oktober 1946. Privéarchief C.C. Destrée

Van slaaf naar baas

Een aantal direct betrokken Nederlandse militairen, van wie een aantal intussen is overleden, bevestigden tegenover Hoek de getuigenissen van Balinese getuigen en nabestaanden.

Veel Nederlandse militairen hadden zelf wreedheden ondervonden tijdens jarenlange krijgsgevangenschap onder de Japanners. Don Sweebe, een Nederlandse militair bij de inlichtingendienst op Bali, die zelf aan de beruchte Birmaspoorweg had gewerkt, vertelde dat de frustratie als krijgsgevangene er op Bali uit kwam en dat sommige van zijn collega’s „net beesten” werden. Ex-krijgsgevangenen veranderen „van slaaf naar baas”, en „dan krijg je een soort van... ik ben de almachtige”, zei hij.

Sweebe erkende dat hij gevangenen executeerde. „Ga maar een plasje doen, zeg je dan, en dan knal je hem neer. Klaar.” Het moest wel, aldus Sweebe, „want de gevangenissen waren overvol en we hadden te weinig mensen”. Het gebeurde ook als hij twijfelde aan de schuld van een gevangene.

Lees meer over het geweld door Nederlandse militairen tegen Indonesiërs: 'Op de vlucht' neergeschoten

Boegbeeld Balinees verzet

Hoek beschrijft ook hoe Sweebe in de beslissende slag om Marga (20 november 1946), die op Bali jaarlijks groot wordt herdacht, het schot zou hebben gelost dat een eind maakte aan het leven van I Gusti Ngurah Rai. Rai was een jonge, door Nederland opgeleide Indonesische militair die het boegbeeld werd van het Balinese verzet, en naar wie nu het vliegveld van Denpasar is genoemd.

Hoek, die volgend jaar op dit onderzoek hoopt te promoveren aan de Universiteit van Amsterdam, was van 2017 tot 2019 betrokken bij een groot onderzoek van drie Nederlandse historische instituten, in opdracht van de regering, naar geweld tijdens de dekolonisatie in Indonesië. De conclusies daarvan worden volgend jaar gepubliceerd.

Later deze week volgen een recensie en een voorpublicatie van het boek.