Voor je uit staren lijkt nutteloos, maar er schuilt geluk in

Kijken en zien Wie ‘alleen maar kijkt’ richt zijn onverdeelde aandacht op wat hij voor zich heeft. Maar dat is heel moeilijk, merkt .

Foto Getty Images

Een mentale mist belemmert mijn blik op de wereld. Zelfs de verschijnselen in mijn directe omgeving zie ik nooit helemaal scherp omdat ze omfloerst zijn door mijn gedachten. Als ik een plastic tas opmerk die voortgejaagd wordt door de wind, denk ik aan de mensen die verpakkingen achteloos op straat gooien, aan de plastic soep die de oceanen vervuilt, aan de aarde die we op een dag uitgeput zullen hebben.

Als ik een plastic tas langs zie waaien, denk ik ook aan American Beauty (1999). In die film maakt een jongeman een opname van een wit zakje dat danst in de wind. Later toont hij dat filmpje aan zijn buurmeisje om haar te laten zien hoeveel schoonheid er schuilt in gewone dingen. Het is een beroemde scène waar al veel over geschreven is.

Wat die jongeman doet, is hetzelfde als wat een kunstenaar doet die een paar oude schoenen schildert (Van Gogh) of een urinoir tentoonstelt (Duchamp): hij maakt iets alledaags tot iets bijzonders door er nieuw licht op te laten schijnen. Er is alleen iets merkwaardigs aan de hand met zo’n artistieke daad. Een alledaags ding dat tot kunst wordt verheven, is beladen met betekenis en daardoor is de alledaagsheid weer onzichtbaar geworden. Het lijkt alsof de kunstenaar ernaast staat te gebaren: ‘Dit is niet zomaar een ding, dit betekent iets.’

Kunst die wil laten zien hoe interessant het alledaagse kan zijn, vertroebelt dus juist mijn blik. Als ik de schoonheid van het alledaagse echt wil waarnemen, dan zal ik dat op eigen kracht moeten doen, door goed om me heen te kijken. Maar dat is niet zo eenvoudig als het klinkt.

Elke blik is voor ons een gekleurde blik, die vertekend wordt door wie er kijkt

Zo stond ik een keer in het park te kijken naar een hond die een andere hond achterna zat. De twee probeerden elkaar beurtelings te grijpen, ze kregen er geen genoeg van. Een paar minuten lang was ik geheel in de ban van dit schouwspel, tot ik bemerkte dat ik me plotseling gelukkig voelde. Mijn onrustige gedachten waren stilgevallen en even was ik alleen een oog dat van het kijken geen genoeg kon krijgen. Wat ik zag was niets bijzonders, maar tegelijk bezat het een schoonheid die me diep raakte. Helaas duurde die toestand maar kort doordat het denken tussenbeide kwam en ik wilde weten waarom ik me zo gelukkig voelde.

Vervolgens leek het of de mentale mist weer neerdaalde en mijn zicht belemmerde. Ik probeerde me te concentreren op de twee beesten, die nu rustig aan elkaar snuffelden, maar het was een doodgewoon tafereel geworden en mismoedig vervolgde ik mijn weg.

Waarom is het toch zo moeilijk om alleen maar te kijken, zonder te willen begrijpen of beoordelen wat ik zie? Ik heb het niet over het kijken naar een scherm of door een lens, waarbij de kijkervaring wordt gestuurd door een apparaat. Het gaat me om het blote oog dat iets waarneemt in de wereld, maar niet meteen hoeft te weten wat de betekenis is van wat het ziet.

Dat momenten van puur kijkplezier zo zeldzaam zijn, komt doordat alles wat we zien, zelfs het meest onbeduidende, allerlei gedachten bij ons oproept. En daar blijft het niet bij: omdat de werkelijkheid meestal niet aansluit bij die gedachten en gevoelens, proberen we haar te veranderen. De dingen zijn nooit helemaal goed zoals ze zijn, ze kunnen altijd verbeterd worden – daar zijn we van overtuigd.

Om dan zo maar wat voor je uit te staren in het park lijkt ons nutteloos. Er valt immers nog zoveel meer te doen met onze ogen, een krant of een appje lezen bijvoorbeeld. Het gebruik van onze visuele vermogens kan een boel belangrijke kennis over de wereld opleveren, over alle grote problemen waar we als mensheid voor staan. Als deze problemen allemaal opgelost zijn en we in een aards paradijs leven, ja, dan kunnen we eens rustig om ons heen kijken en ‘zien dat het goed is’, zoals God deed toen hij zijn Schepping voltooide.

En is het trouwens niet naïef, het idee dat er zoiets mogelijk is als ‘alleen maar kijken’? Alsof er een neutrale blik zou kunnen bestaan die de dingen ziet zoals ze zijn? We zijn er van doordrongen geraakt dat er ontelbaar veel perspectieven bestaan op één en dezelfde zaak. Elke blik is voor ons een gekleurde blik, die vertekend wordt door wie er kijkt en wat hij vindt. Wat zo’n kijker meent te zien, roept vanzelf kritiek bij ons op, want ziet hij niet vooral wat hij graag wil zien?

Toch denk ik dat het de moeite waard is om zo af en toe alles te vergeten en helemaal op te gaan in wat we zien. We hoeven ons hierbij niet iets mystieks voor te stellen. Het gaat om een ervaring die we allemaal weleens gehad hebben, toen we kinderen waren bijvoorbeeld en in verwondering staarden naar een glas melk, achteloos neergezet voor ons op tafel, alsof we dat voor het eerst zagen. Kinderen kunnen zo’n ervaring helemaal uitdiepen, maar volwassenen gaan er haastig aan voorbij. Er valt immers nog zoveel meer te zien.

Er zit iets passiefs in deze verwondering. Het is iets wat ons overkomt, zonder dat we het gezocht hebben

In zijn boek Alleen maar kijken (1992) vertelt filosoof en hoogleraar wijsbegeerte Cornelis Verhoeven (1928-2001) dat de filosofie voor hem steeds minder pretentieus is geworden: eerst moest ze ‘alles’ kunnen verklaren, maar later werd ze ‘een verwondering over het feit dat er iets is en niet niets, dat de werkelijkheid altijd anders is dan wij denken’. Deze verwondering neemt de vorm aan van aandachtig kijken, ‘een kijken zonder agenda en zonder andere bedoelingen dan te zien wat er te zien is’. Iemand die in staat is om op die manier ‘alleen maar te kijken’, wil het object van beschouwing ‘niet bezitten, niet beheersen en niet veranderen’.

Er zit iets passiefs in deze verwondering. Het is iets wat ons overkomt, zonder dat we het gezocht hebben. Even treden we uit onze dagelijkse werkelijkheid van denken en doen, waarbij we zelf steeds het middelpunt zijn. Plots is daar een moment waarop de werkelijkheid, zoals Verhoeven schrijft, ‘het overwicht heeft boven het subject’, de man of vrouw die alleen maar sprakeloos kan toekijken. Het is alsof we even verdwijnen, zodat de wereld kan verschijnen. Als we in deze toestand van verwondering verkeren worden er zelfs geen vragen gesteld, want een vraag leidt al snel tot een passend antwoord, waarna de werkelijkheid weer verklaarbaar is geworden. ‘We staan in de verwondering stil’, schrijft Verhoeven, ‘we kijken alleen maar en weten niet veel te zeggen’.

Het lijkt bijna niets, deze ervaring van ‘alleen maar kijken’. Je moet wel heel scherpe ogen hebben om iets bijzonders op te merken aan iemand die naar twee spelende honden in het park kijkt en daarin helemaal opgaat. Maar hoe onopvallend deze houding ook is, er zit toch iets in van een passief verzet tegen de manier waarop we met de wereld omgaan. Zijn we niet allemaal activisten, in de breedste zin van het woord? We geloven dat we de wereld naar onze hand kunnen zetten zodat die aansluit bij onze behoeften en makkelijk consumeerbaar voor ons wordt. Maar wie ‘alleen maar kijkt’, heeft niet de neiging om zich te bemoeien met wat hij ziet. Hij verwondert zich slechts over het feit dat de werkelijkheid is zoals zij is, onafhankelijk van wat hij allemaal denkt en wil.

Cornelis Verhoeven zet in zijn boek de verwondering tegenover ‘de vanzelfsprekendheid waarmee we tegen de wereld aankijken’. Hij heeft het over de geblaseerde blik waarmee ‘veel moderne mensen’ naar de wereld kijken en alles maar heel gewoon vinden. Maar, zegt Verhoeven, ‘gewoonheid is alleen maar schijn, een product van een gebrek aan aandacht. Een voorwerp van aandacht is nooit vanzelfsprekend.’

Hiermee komen we tot de kern van de zaak: aandacht. Wie ‘alleen maar kijkt’ richt zijn onverdeelde aandacht op dat wat hij voor zich heeft. Aandacht zonder bijgedachten, zonder bijbedoelingen. Aandacht die de dingen en wezens in hun volledige aanwezigheid laat verschijnen. Maar wie is nog in staat om zoveel aandacht op te brengen in een wereld die voortdurend voor afleiding zorgt?

Ik vraag me af waarom de werkelijkheid iets zou moeten betekenen. Is het niet bijzonder genoeg dat ze bestaat?

Het is rustig in het park. Af en toe breekt de zon door en schijnt op mijn gezicht. Ik zit op een bankje, kijk naar een hond die achter een bal aanrent en heb het gevoel dat ik langzaam oplos in de omgeving. Het lijkt of er alleen nog een blik is die registreert. Wat gezien wordt, wordt gezien, zonder dat het omgezet hoeft te worden in een beeld of een idee. De hond, die nu de bal te pakken heeft, is slechts een hond. Hoewel dat ‘slechts’ juist veel is, zo veel dat het in woorden niet uitgesproken kan worden.

Ik vraag me af waarom de werkelijkheid iets zou moeten betekenen. Is het niet bijzonder genoeg dat ze bestaat? In de woorden van Alberto Caeiro, het alter ego van de Portugese schrijver Fernando Pessoa:

Het is vreemder dan alles wat vreemd is,


Vreemder dan de dromen van alle dichters


En de gedachten van alle filosofen,


Dat de dingen werkelijk zijn wat ze lijken te zijn


En dat er niets te begrijpen valt.

Nee, er valt niets te begrijpen. Wat een opluchting. Ik kan vertrouwen op wat ik zie. Het grote mysterie ligt aan de oppervlakte, zichtbaar voor iedereen en voor niemand.

We hoeven alleen maar te kijken.