Foto Frank Ruiter

Interview

‘De falende man, die hoort bij Suriname’

Lunchinterview Chris Polanen (58), dierenarts in de Bijlmer, schrijft romans over Suriname om zijn heimwee te bestrijden. Maar hij is niet alleen maar aardig over het land dat hij zo mist. Vooral ‘de’ Surinaamse man moet het ontgelden. „De mannen die hun vrouwen verlaten en hun kinderen verwaarlozen.”

Tussen het beton en baksteen van de E- en G-buurt in de Bijlmermeer ligt een groen grasveld met daarop circulair restaurant Elixer. Nazomerzon op het terras, scharrelende kippen in de ren, de moestuin op z’n mooist. Chris Polanen (58), dierenarts en schrijver, hoopte al dat we nog buiten zouden kunnen zitten. Hij legt zijn autosleutels op tafel en zegt: „Ik heb net gezwommen.” Borstcrawl, elke dag een half uur, in het binnenbad van Diemen. Zijn telefoon legt hij naast de sleutels. „Officieel heb ik dienst.” Zijn praktijk, een paar flats verderop, is gesloten op vrijdagmiddag, maar voor spoedgevallen is hij bereikbaar. „Braken, diarree, plotselinge pijn. Vaak is het al even aan de gang, maar willen mensen vlak voor het weekend toch nog op consult.”

Hij heeft de praktijk sinds 1992 – hij was nog geen dertig toen hij hem overnam van een dierenarts die allergisch was geworden. Nooit eerder was het zó druk. „Sinds corona heeft én iedereen een huisdier, én iedereen heeft alle tijd om overdag langs te komen, iedereen werkt thuis.” Zijn klantenpopulatie is de laatste jaren ook totaal veranderd, zegt hij. „Minder arme Bijlmerbewoners, meer expats.” Minder honden, meer katten. De ochtenden besteedt hij aan castraties, sterilisatie, kleine ingrepen – gecompliceerde operaties doet een specialist. Dan zwemmen. Daarna spreekuur.

Als jongetje wilde hij al „dieren helpen”. Maar wat hij toen voor ogen had, is hij niet geworden. „Ik zag mezelf later als Surinaamse dierenarts, zo een die de landerijen afrijdt om dieren te behandelen. Vooral paarden.” Meer een veearts dan een dierendokter, zoals dokter Pol – de Nederlandse dierenarts op het Amerikaanse platteland met een eigen televisieprogramma? Hij lacht. „Romantisch, maar zwaar. Wat ik nu doe, is veel beter. Een droombaan, met gemotiveerde klanten en de vrijheid om mijn eigen tijd in te delen.” Toen hij in Suriname woonde – het grootste gedeelte van zijn jeugd en tienerjaren – reed hij op de paarden van zijn oom. „Buiten, nooit binnen.” Hij gaf les op de manege, deed mee aan springwedstrijden en won die ook. De foto op de cover van de roman Centaur die hij schreef? „Dat ben ik.” Jonge jongen op een springpaard in volle vaart. „Dat was een Nederlandse hengst, Patrick.” En net als het twintigjarige hoofdpersonage in dat boek ging hij veeteelt studeren aan de universiteit van Paramaribo. „In het boek ga ik terug naar wat mijn laatste jaar daar zou worden.”

Het was nooit mijn bedoeling om in Nederland te blijven

De universiteit ging dicht. Het was begin jaren tachtig, kort na de militaire machtsovername van Desi Bouterse, en vrijwel de volledige middenklasse verliet Suriname. Chris Polanen ging naar Nederland, wéér. De eerste vier klassen van de basisschool had hij in Nederland gedaan, de laatste twee in Suriname. Het eerste jaar middelbare school weer in Amsterdam, op het Barlaeus gymnasium, toen terug naar Paramaribo. „Ik wilde helemaal niet wéér naar Nederland, maar iedereen ging weg.” Zijn jongere broer ging hem voor, voor een studie aan de TU Delft. Chris Polanen verhuisde naar zijn tante in de Bijlmer en kon terecht op de plek die de faculteit diergeneeskunde in Utrecht reserveerde voor studenten uit Suriname en de Antillen. Hij studeerde af, kocht nog voor z’n dertigste de praktijk in de Bijlmer, trouwde een Amsterdamse en kreeg een zoon en een dochter. Toch was het, zegt hij, nóóit zijn bedoeling om in Nederland te blijven.

We bestellen de zelfgemaakte bloemenlimonade, en hij vraagt om het eiergerecht maar dan zonder vlees. Vegetariër? „Ik vond dieren eten nooit fair, maar het laatste zetje kreeg ik toen ik voor mijn studie de slachthuizen af moest. Kippen, varkens, koeien, schapen. Na dat rondje was ik vegetariër.” Hij is dus toch in Nederland gebleven, stel ik vast. Nee, schudt hij. Hij is wel teruggegaan, met zijn inmiddels ex-vrouw en kinderen. Hij kon daar terecht in de praktijk van een collega-dierenarts, voor zijn eigen praktijk had hij een vervanger geregeld. „Het idee was dat we elk jaar zouden overwinteren in Paramaribo, en de rest van het jaar hier.” Want vooral de Nederlandse winters, zegt hij, die waren niet om door te komen. Maar? „Mijn vrouw vond het dáár verschrikkelijk.” Wat vond ze verschrikkelijk? „Alles. Het weer, het leven daar. Ook het eten vond ze niks, dus at ze niet meer.” Na drie maanden moesten ze terug naar Nederland en toen begon het grote gemis.

Ongezonde situatie

Hij was 33 en zat gevangen in een land waar hij niet had willen blijven. Teruggaan kon niet, scheiden wilde hij niet. „Ik zat voor altijd vast.” Twee weken per jaar ging hij, alleen, op vakantie naar Suriname en daar keek hij het hele jaar naar uit. „Verschrikkelijk om daarna weer naar Nederland te moeten en te wachten op de volgende vakantie.” Het was een ongezonde situatie, zegt hij. „Ik zakte toch wel in een depressie.” Wat miste hij? Stilte. Lachje. „Alles.” Te beginnen met het weer en het buitenleven. „Je leeft daar een dorpser leven, vrienden, familie, iedereen kent elkaar.” Hij miste het „paardengebeuren”, maar ook „het gevoel dat je in je eigen land bent”. Hij wijst naar de flats rondom het groene strookje terras waar we zitten. „Het anonieme hier, dat vind ik niks.” Zijn „redding”: zwemmen en schrijven.

Zwemmen deed hij al in Suriname, in zwembad De Dolfijn. Hij heeft in zijn tienerjaren zelfs even gehoopt wedstrijdzwemmer te worden. „Maar ik bleef te klein en te tenger.” Het halve uurtje per dag van nu houdt de somberte op afstand. „Het heeft hetzelfde effect als hardlopen, je maakt goeie stofjes aan.” Het schrijven, dat begon uit heimwee. „Ik sluit me op in mijn werkkamer, gordijnen dicht, muziek aan, soulmuziek.” En dan schrijft hij over Suriname. „De eerste verhaaltjes gingen over de mislukte terugkeer van drie maanden.” Stukjes over vakanties daar, over de mensen, en over hoe anders het land van zijn jeugd eruitzag. „Elke keer als ik van het vliegveld Paramaribo inreed, moest ik de teleurstelling wegslikken en het beeld in mijn hoofd bijstellen.” De rijen houten huizen: vervallen. De winkels: leeg. De mensen: arm. „Zwervers, junkies, straatprostituees. Die had je in mijn tijd niet.” Zijn verhalen werden, in Nederland, gepubliceerd in Weekkrant Suriname.

Hij wuift voorzichtig de wespen van zijn bord. Tien jaar na de mislukte terugkeer scheidde hij alsnog. „Ik werkte, ik zwom, ik schreef, maar echt geïnteresseerd in het land, mijn buurt, mijn gemeenschap was ik niet. Ik was er, maar ik leefde niet. Een huwelijk houdt dan geen stand.”

Ze gooiden een sardineblikje met explosieven in zijn tuin, een kwajongensstreek.

Inmiddels, 25 jaar na dato, durft hij wel te zeggen dat hij zich heeft aangepast aan de omstandigheden. „Steeds minder heb ik het gevoel dat ik dáár wil zijn.” Zijn moeder van 85 woont er nog. „Misschien, als ik straks met pensioen ben, kan ik wat langer blijven om voor haar te zorgen.” De hevigste heimwee is gesleten. „Ik kreeg een nieuwe relatie, een nieuw kind, het schrijven kwam echt op gang.” Hij debuteerde, in 2017, met de roman Waterjager en deze zomer, na een schrijfcursus aan de Schrijversvakschool, verscheen zijn tweede.

Meer dan ooit gaat Centaur over hem. Hij roept het land van zijn jeugd op en wekt zijn vader tot leven die overleed toen hij zeven was. Pieter Polanen was „berucht”. Kind uit een vooraanstaande familie, bekend als dichter Kwame Dandillo en Korea-veteraan die politiek actief was in Suriname. Hij pleegde, met zijn soldatenvrienden, een bomaanslag op de man die later president zou worden, Johan Pengel. „Ze gooiden een sardineblikje met explosieven in zijn tuin, een kwajongensstreek.” Niemand raakte gewond, maar hij moest vier jaar de gevangenis in. „Mijn moeder bleef trouw op hem wachten.” Na zijn vrijlating werd Chris geboren. „Mijn moeder was zwanger van mijn broertje, toen mijn vader in Nederland zat. Daar bleek hij ook een vrouw en een kind te hebben. Bij terugkomst wilde hij niets meer met ons te maken hebben.” Zijn moeder hertrouwde en kreeg nog twee kinderen.

Ik vertel het Surinaamse verhaal zoals ik het ken

Heel aardig schrijft hij niet over het land dat hij zo mist. Niet over leiders, niet over de mensen, vooral de mannen moeten het ontgelden. De hoofdpersoon op pagina 31: „De Surinaamse man mag alles zijn; agressief, lui, verwaand, oversekst, verslaafd, vraatzuchtig, maar niet zwak.” Pagina 101: „Wij Surinamers zijn gespecialiseerd in verpesten wat simpel en goed is.” Mannen, echtgenoten, vaders verlaten hun vrouwen en laten hun kinderen in de steek, waardoor „volksstammen opgroeien zonder alimentatie, huis of hoop”. Tja, zegt hij. „Ik vertel het Surinaamse verhaal zoals ik het ken.” Het is, zegt hij, geen makkelijk land om in te wonen. „De armoe, het verval, de verwaarlozing. President Chan Santokhi zei bij zijn laatste bezoek aan Nederland dat hij verwacht dat zijn land pas over vijftien jaar schuldenvrij is.” En verder, een Surinaamse roman valt niet te schrijven zonder één falende Surinaamse man, zegt hij. „Ik schrijf wat ik vroeger zag en voelde, maar nog niet kon verwoorden. Mijn stiefvader was zo’n man. Macho, driftig, veel drinken. Ik heb altijd geweten dat ik nooit zo’n man kon worden.”

Hij had gehoopt zijn oudste twee kinderen een Surinaamse opvoeding te geven. „Het buitenleven, de vrijheid, familie, vrienden.” Hij benijdde het gezinsleven van vrienden die in Suriname waren gebleven of wel succesvol waren teruggekeerd, maar legde zich er op den duur bij neer dat zijn kinderen Nederlanders werden. Nu is hij er blij om. „Veel generatiegenoten van mij komen alsnog hierheen, hun kinderen moeten alles opnieuw opbouwen.” Zijn kinderen zijn „geworteld” en vrij van heimwee. Straks, na een kopje Lapsang Souchong-thee met warme melk, gaat hij nog even langs de praktijk met zijn dochtertje van vier. „Kijk”, wijst hij. Ze huppelt net over de parkeerplaats naar hem toe.

Correctie (25 oktober 2021): In een eerdere versie van dit artikel werd het citaat ´Wij Surinamers zijn gespecialiseerd in verpesten van wat simpel en goed is´ toegeschreven aan de auteur. Het betreft een uitspraak van een personage uit zijn boek Centaur. De volledige zin luidt: ‘Misschien zijn wij Surinamers, ook jij Pieter, gespecialiseerd in het verpesten van alles wat goed en simpel is.’ Dat is hierboven aangepast.