Recensie

Recensie Muziek

Pianist Yuja Wang en dirigent Gustavo Gimeno zetten Mozart en Dvorak op scherp

Klassiek In Mozarts ‘Twintigste Pianoconcert’ meet de mens zich met een onstuimige wereld. Een drama dat pianist Yuja Wang en dirigent Gustavo Gimeno met grote verbeeldingskracht uitlichtten.

Bezoekers in het Concertgebouw voor een concert van sterpianiste Yuja Wang.
Bezoekers in het Concertgebouw voor een concert van sterpianiste Yuja Wang. Foto ANP KIPPA/ Ramon van Flymen

De concertvorm is de arena van de klassieke muziek, waar de eenling het moet opnemen tegen de groep – of de elementen zoals in het Twintigste Pianoconcert van Mozart. Hier nam de componist een nieuwe afslag in dit genre en zocht de theatrale en psychologische diepten op: de piano zet de eigen wil tegenover die van het orkest. En het uitspelen van dat drama was in goede handen bij pianist Yuja Wang en dirigent Gustavo Gimeno.

Vanaf de donkere storm in de orkestrale inleiding bouwden beiden de spanning op. Daar leent de concertvorm zich ook voor, want Mozart gaf – en dat was nieuw – de pianist ander muzikaal materiaal dan het orkest. Hier moet een mens zich verhouden tot de wereld, zich meten met onstuimige krachten. Wang bewees daarbij over hoeveel verbeeldingskracht ze beschikt.

Spierballenvertoon

In twee solocadensen, waar het orkest even zwijgt om de pianist vrij baan te geven, verloor ze zich in virtuoos spierballenvertoon. Wang vermengde haar eigen inbreng met die van grote pianistische voorgangers als Ferruccio Busoni en Clara Schumann. Tegenover die twee fantasievolle explosies uit de opening en het slot stond de ‘Romance’ uit het middendeel, waarin Wang de piano liet praten, een kalm betoog dat herinnerde aan de welsprekendheid van de barok. Misschien een les die ze overhield aan de vertolking van dit concert zo’n twee weken geleden in Riga met Bach-dirigent John Eliot Gardiner.

Sterpianiste Yuja Wang treedt op in het Concertgebouw met het Orchestre Philharmonique du Luxembourg. Foto ANP KIPPA/ Ramon van Flymen

Mozarts Twintigste vormde een mooi geheel met Dvoraks Achtste symfonie, eveneens muziek die meteen beelden van een grootse natuur oproept. In dit geval een natuur die in volle bloei staat en overvloeit van melodieën. Dvorak bood Gimeno alle kans om de rijke kleurenschakeringen in zijn Luxemburgse orkest bloot te leggen: goedmoedig of dreigend plukkende contrabassen, de dwarsfluiten die als speelse kwajongens de violen uitdaagden, een gevaarlijk klinkende verre hoorn, tedere celli, een trompet die iets groots aankondigt – Gimeno en zijn musici leken het publiek mee te nemen op een van Dvoraks dagelijkse wandelingen door zijn geliefde Boheemse wouden.

Mozart is een zoete zonnestraal, vond Dvorak. En Gimeno bewees in deze Achtste dat de Tsjech zeker niet voor dit wonderkind hoeft onder te doen.