Opinie

Leven alsof alles waarvan je houdt onaantastbaar is

Ellen Deckwitz

Door omstandigheden kregen mijn zus en ik op dezelfde dag onze tweede vaccinatie en het was meteen feest. Waar we van de eerste geen last hadden, zelfs geen zere arm (wat we al zelffeliciterend van de daken schreeuwden), hakte die tweede er binnen enkele uren keihard in. Misselijk, de bovenlip bedekt met een zweetvlies en wij zo bedwelmd dat het leek alsof we een halve liter codeïne achterover hadden geslagen.

Uit zelfbehoud sloten we ons op in huis en gingen we Braveheart kijken. Al ijlend leek het een soort live-actionmovie van smurfen in kilts. Terwijl Mel Gibson van de nodige ingewanden werd ontdaan, zei de zus dat ze het ongelofelijk vond dat deze film alweer 26 jaar oud was. Ik vond het nog ongelooflijker dat wij toen al op de middelbare school zaten.

„Als ik een film kijk die is gemaakt toen ik al bestond”, zei ik, „vind ik het altijd een leuke gedachte dat ik verderop, buiten beeld, er ook was. Geen idee waar ik uithing toen Mel op de set schreeuwde om vrijheid, maar ik ging ergens mijn gang.”

„Grappig”, zei de zus, „daar denk ik ook weleens aan als ik een film uit de jaren negentig kijk. En ik vraag me dan ook meteen af waarom ik destijds niet iets beters met mijn jeugd deed dan uitgaan, blowen en scharrelen. Ik had er meer van moeten maken.”

„We hadden oudtante Hetty ook vaker moeten bezoeken”, zei ik. „Toen deze film werd opgenomen was ze er gewoon nog.”

Hetty was onze lievelingsoudtante. Al kettingrokend haakte ze de ene sprei na de andere, ondertussen levensadviezen spuiend zoals dat je beter een kat kan nemen dan een man. Ze leek van beton, de dokter zei dat ze minstens honderd zou worden, maar ze overleed onverwachts aan een hartstilstand in 1996.

„Maar ja”, zei de zus, „als je de hele tijd bezig bent met nu het nog kan, heb je ook geen leven meer. Dan doe je alles vanuit een vergankelijkheidsbesef, is elke ervaring omkranst met een rouwrand. Eigenlijk moet je leven alsof alles waarvan je houdt onaantastbaar is. Zo houd je de boel luchtig. Als we ons zouden gedragen naar de feiten, deden we geen oog meer dicht.”

En zo hadden we het die middag maar niet meer over tante Hetty. De koorts daalde en steeg, het zweet gutste. Ons lichaam produceerde de ene na de andere antistof, zodat we straks nog heel lang kunnen doen alsof er niet zoiets bestaat als tijdelijkheid, dat er tegen elke vorm van eindigheid valt op te vaccineren, en dat er voor alles een remedie is. Voor iedere ziekte, voor iedere gedachte. Voor ieder afscheid.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.