Lagarde: de inflatie is tijdelijk

Rentebesluit ECB Hoewel de inflatie is opgelopen, houdt de Europese Centrale Bank vast aan het ruime monetaire beleid. Niet tot ieders vreugde.

ECB-president Christine Lagarde, hier op een Eurogroep-bijeenkomst in mei, houdt vast aan de ultralage rentes.
ECB-president Christine Lagarde, hier op een Eurogroep-bijeenkomst in mei, houdt vast aan de ultralage rentes. Foto CARLOS COSTA/AFP

Het doel is bereikt, de vlag kan uit. Of toch niet? De inflatie in de eurozone bereikte in mei 2 procent, zo maakte statistisch bureau Eurostat vorige week bekend. 2 procent: dat is exact het inflatiedoel van de Europese Centrale Bank. Om precies te zijn, is deze doelstelling „onder, maar dicht bij 2 procent op de middellange termijn”. De inflatie ligt dus nu zelfs ietsje bóven het streefniveau van de centrale bank in Frankfurt.

Intussen geven de Europeanen hun tijdens de pandemie opgepotte geld met graagte uit op de terrassen en in de winkelcentra. Want: het mag weer. Dit consumptieplezier dreigt de prijzen verder op te drijven.

Toch houdt de ECB voorlopig vast aan haar crisisbeleid met ultralage rentes, zo bleek donderdag na een bestuursvergadering. De ‘pandemienoodopkopen’ van staats- en bedrijfsleningen door de ECB, die de kapitaalmarktrente drukken, blijven op het huidige tempo van rond de 80 miljard euro per maand doorgaan. De depositorente voor banken bij de ECB blijft op minus 0,5 procent. Zowel de lange-als de kortetermijnrente wordt zo door ‘Frankfurt’ zeer laag gehouden. Dat moet de kredietverlening op peil houden, zodat het economisch herstel én de inflatie worden aangejaagd.

En die inflatie van 2 procent dan? De ECB kijkt niet alleen naar dat cijfer 2, maar ook naar die „middellange termijn” die in de doelstelling verwoord staat. Weliswaar komt de inflatie dit jaar uit op 1,9 procent, volgend jaar zakt deze weer naar 1,5 procent en het jaar daarna komt de inflatie uit op 1,4 procent – althans, volgens de prognoses van de centrale bank.

„Tijdelijke” effecten drijven de inflatie op, zei ECB-chef Christine Lagarde op een persconferentie. De energieprijzen liggen nu bijvoorbeeld hoger dan vorig jaar (zoals aan de pomp is te merken), maar de ECB verwacht dat ze later dit jaar gaan dalen. De zogeheten ‘kerninflatie’, waar de wispelturige energie- en voedselprijzen zijn uitgefilterd, blijft achter. Die ligt vlak boven de 1 procent en loopt de komende twee jaar op naar 1,5. „We zijn nog ver weg van onze uiteindelijke doelstelling”, aldus Lagarde.

Buffer tegen deflatie

Zo’n 2 procent inflatie geldt onder centrale bankiers – ook in de VS en elders – als een ideaal cijfer. Het biedt een buffer tegen deflatie, een gevaarlijke negatieve prijsspiraal. Daarom 2, en niet nul. 2 procent inflatie bevordert de economische dynamiek, zonder dat de prijzen de pan uit rijzen, zo menen de meeste centrale banken.

Als de ECB nu de monetaire stimuleringsmaatregelen zou terugschroeven, zei Lagarde, zou dit niet alleen het inflatiedoel verder buiten bereik brengen. Het zou ook de rentes voor bedrijven, burgers en overheden te veel opdrijven. Dat zou het economisch herstel in gevaar brengen. „Een discussie over een exit uit het pandemienoodopkoopprogramma zou voorbarig zijn: te vroeg”, zei ze.

Dat ziet niet iedereen zo bij de ECB. Het besluit om de pandemienoodopkopen níét af te bouwen, kreeg geen unanieme steun van het 25-koppige ECB-bestuur, zei Lagarde in reactie op vragen van de pers.

Klaas Knot, president van De Nederlandsche Bank en het Nederlandse ECB-bestuurslid, had in april gezegd dat hij de opkopen vanaf juli graag zou afbouwen. In de vergadering van donderdag steunde hij echter naar verluidt het besluit van de meerderheid. Hij gaat er gezien de gunstige economische- en inflatieontwikkelingen van uit dat de noodopkopen zullen stoppen in maart 2022, zoals het bestuur eerder zei te verwachten.

De volgende ECB-vergaderingen, in juli en in september, worden spannend voor de interne verhoudingen in Frankfurt. Tot dusver wist Lagarde de tegenstelling tussen monetaire ‘haviken’, die hogere rentes voorstaan, en ‘duiven’, die lagere rentes ambiëren, in goede banen te leiden. Maar als de inflatiedruk blijft toenemen, zal het moeilijker vol te houden zijn dat de prijsstijgingen tijdelijk van aard zijn. Dan zal de roep van (hoofdzakelijk noordelijke) haviken als Knot toenemen om minder staats- en -en bedrijfsobligaties op te gaan kopen. In Duitsland ligt de inflatie al op 2,4 procent, in Nederland op 2 procent.

De inflatieprognoses van centrale banken komen zeker niet altijd uit. De laatste jaren viel de inflatie telkens lager uit dan de ECB had verwacht.

Maar het valt niet uit te sluiten dat het dit jaar juist anders gaat: dat de inflatie plots veel hóger uitvalt. Er zijn redenen om dit scenario serieus te nemen. Naast de consumptievreugd, aangedreven door een berg aan ongebruikt spaargeld, is er toenemende schaarste aan grondstoffen en chips, wat de prijzen van elektronica kan opdrijven.

Tijdens de pandemie is ook de arbeidsmarkt opgeschud. De horeca, de toeristische sector en de zorg kampen met gebrek aan personeel. Dit kan de lonen en uiteindelijk ook de prijzen gaan opdrijven. Lagarde zei donderdag dat vooralsnog niet blijkt dat de lonen in de eurozone aantrekken, maar de vraag is hoelang dit zo blijft.

Inflatie naar 5 procent in VS

In de Verenigde Staten is inmiddels een patroon zichtbaar van inflatiecijfers die telkens de verwachtingen overtreffen. Donderdag werd bekend dat aldaar de inflatie in mei 5 procent bedroeg. De druk op de Federal Reserve – de centrale bank van de VS – om háár crisisbeleid af te bouwen, stijgt. Net als de ECB blijft de Fed de rente drukken door staatsschuld op te kopen: zo’n 120 miljard dollar per maand.

Een discussie over tapering – het verminderen van de opkopen – zal niet lang meer te vermijden zijn, gevolgd door een discussie over een hoger rentetarief. Eerst is de Fed aan de beurt, daarna de ECB.