Een kuiken zo groot als een kalkoen

Een zeearendkleuter ringen: hoe doe je dat? Nou, met drie man en een boodschappentas. En zonder hoogtevrees. ging mee het ruige moerasbos in.

De jonge zeearend wordt snel en welhaast teder geringd.
De jonge zeearend wordt snel en welhaast teder geringd. Foto’s Nienke Beintema/Warner Jan de Wilde

‘Zo, dit is een felle rakker,” zegt de bioloog, geknield op een kleedje op de bosgrond. Met beide handen omklemt hij het bruine vogellijf. Hij heeft het dier van achteren beet en drukt de opgevouwen vleugels tegen het lichaam. De vogel sist, de haaksnavel opengesperd. De vlijmscherpe nagels, elk zo groot als mijn pink, klauwen fel in het kleedje. Maar de bioloog weet wat hij doet. Hij handelt snel en beslist en bijna teder. Hij heeft dan ook een kuiken in handen.

Dit kuiken weegt ruim vier kilo. Vijf weken oud, een kleuter nog. Het jong van de majestueuze zeearend.

Drie experts zijn er nodig om deze vogel te kunnen meten, wegen en ringen. Klaas van den Berg, boswachter van Staatsbosbeheer, heeft de weg gewezen in dit ruige moerasbos. Warner Jan de Wilde, professioneel boomverzorger en hier uit liefhebberij, is 22 meter in een wilg geklommen naar het nest van bijna twee meter doorsnee. Hij heeft zich acrobatisch over de nestrand heen gewerkt en het jong beetgepakt, om het vervolgens in een boodschappentas aan een touw te laten zakken. Symen Deuzeman van de Werkgroep Zeearend Nederland houdt het dier vast en meet de snavel, klauwen en vleugellengte. De boswachter brengt intussen de ringen in gereedheid, maatje XXL, op afstand af te lezen. Met een tang klemt hij ze voorzichtig om de poten.

Moerasbos

De zeearend is de grootste roofvogel van Nederland. Pas sinds 2006 broedt de soort in ons land, nu al op twintig verschillende plekken. Al zo’n 120 jongen werden in Nederland geboren. Soms zitten er twee in een nest; op deze plek is het er één. Over een paar weken kan hij vliegen. Zijn ouders zullen hem dan nog maandenlang voeren met vis en watervogels. Nu hij geringd is, kunnen biologen hem volgen: waar vliegt hij heen, in welke gebieden verblijft hij graag, en waar zal hij zich vestigen en met wie, over een jaar of vijf?

Foto Warner Jan de Wilde

De bomenman hangt nog in zijn gordel boven in de wilg. Boswachter en bioloog zijn aan het werk op de kluit van een omgewaaide boom: het enige droge plekje in dit ondergelopen moerasbos. Muggen zoemen om ons hoofd; de warme lucht ruikt naar zwavel en watermunt. Ginds zingt zowaar een wielewaal: pie-wie-duliejoe! Het jong moet gauw terug naar zijn nest, zodat de oudervogels kunnen terugkomen.

Lees ook dit artikel: Het Nederlandse succes van de zeearend

Nog even nemen we de tijd om het jong goed te bekijken. De donkere, glinsterende ogen. De bruine kopveren, met nog wat grijze plukjes dons. De lange, stijve tong met twee scherpe weerhaken, ideaal om vis mee in te slikken. De enorme vleugels, die in de komende weken zullen uitgroeien tot een spanwijdte van tweeënhalve meter. En de lange, geelgeschubde poten, met klauwen als vleeshaken.

Dan gaat het jong snel weer in de boodschappentas. Aan het touw, en hup, weer naar boven. De klimmer daalt af en we waden weg, kniediep door het water van het wilgenbos.