Portret Harry Ruttens - Museum De Reede

Foto Ans Brys

Interview

Harry Rutten: ‘Je wil dat het verschil maakt wat je doet’

Wat maakt het leven de moeite waard? Harry Rutten (79) begon vier jaar geleden een museum in Antwerpen. Er hangt grafische kunst die hij zijn leven lang verzamelde. „Deze prenten zijn misschien niet vrolijk, maar je kunt wel meevoelen met wat je ziet.”

Harry Rutten (79) was reder, Transpetrol vervoert olie en gas. In 2017 begon hij een museum, Museum De Reede in Antwerpen. Er is grafisch werk te zien van Edvard Munch (1863-1944), Félicien Rops (1833-1898) en Francisco Goya (1746-1828) – ruim tweehonderd werken op papier, de afgelopen 35 jaar door hem verzameld.

Dus je denkt: met de naam van zijn museum refereert hij aan zichzelf, als voormalig reder. Maar nee: het gebouw heette al zo, vroeger zaten hier de burelen van rederijen die zich bezighielden met de binnenvaart. Sterker, Harry Ruttens éígen naam was vier jaar geleden óók nauwelijks te vinden in dit privémuseum. Niet in het persbericht dat uitging bij de opening, niet als je binnenkwam in het prachtig gerenoveerde pand, zelfs op de site van het museum ontbrak hij. Pas afgelopen april, vier jaar na de opening, verscheen bij de ingang een paneel met zijn naam. Dat gebeurde nadat daar lang bij hem op aan was gedrongen.

En als hij heel eerlijk is, zegt hij in de zaal van het museum waar we zijn gaan zitten, wil hij ook liever niet worden geïnterviewd. Althans: het moet dan niet over hemzelf gaan, waar het om draait is het museum. „Dat verhaal altijd van de initiatiefnemer: wie is die man, wat heeft hij gedaan – ik vind dat niet belangrijk. De mensen moeten komen voor wat hier te zien is. En misschien ben ik er ook wel te benauwd voor, hoor. Er zijn mensen die met flair over zichzelf praten, maar ik niet. Het moet je ook liggen.”

Harry Rutten kocht zijn eerste grafische werk in 1986 in Brussel, een prent van Holocauste van Félicien Rops (oorspronkelijk gedrukte oplage: 536). Drie jaar later kocht hij in Oslo zijn eerste Munch-prent van The Alley, een lithografie (oorspronkelijke oplage: 43). Op basis van zijn verzameling, die toen al uit enkele tientallen prenten bestond, organiseerde hij in 2006 een tentoonstelling: Man & Vrouw. De tentoonstelling was te zien in het Brusselse Charliermuseum, in het Museum voor Hedendaagse Kunst in Seoul en in het Haugar Vestfold Kunstmuseum in het Noorse Tonsberg. Wanneer je door het museum loopt, begrijp je al snel de titel van die tentoonstelling: alle prenten laten mensen zien, stillevens of landschappen ontbreken.

Als je plannen hebt, moet je die uitvoeren, concreet maken

Het idee van dat museum kwam na het plotselinge overlijden van zijn vrouw, drie jaar na de tentoonstelling. Hij was ruim veertig jaar met haar samen geweest. „Toen wist ik: het kan opeens gedaan zijn. Als je plannen hebt moet je die uitvoeren, concreet maken.”

U had al die prenten thuis?

„Ja, aan de muur. En in lades. De Goya’s zaten in een doos, die keerde je dan soms op een zondag om op tafel. De Ropsen had ik niet ingelijst. Het verschil tussen grafiek en andere kunst is natuurlijk… Het is de kunst van de arme man – zo heb ik het genoemd. Met weinig geld kun je nog van alles kopen. Dat is ook de handicap: veel mensen trekken de neus op voor grafiek. Het is niet origineel, zeggen ze dan. Maar het is zo origineel als het maar zijn kan. Elk werk is een vel papier geweest dat vochtig is gemaakt, de plaat is weer ingeïnkt, het papier erop gelegd, daarna aangedraaid. Allemaal individueel, elk vel opnieuw – het is geen krant die van de pers komt rollen, hè. Het is origineel, alleen is het niet uniek: er zijn meerdere exemplaren van.”

Hoe deed u het met daglicht?

„Ik had vitrage: gedempt licht. Licht is een obsessie van gevestigde musea, die menen allemaal dat grafiek maar kort geëxposeerd mag worden. Tekeningen al helemaal, die mogen nooit langer dan drie maanden op zaal hangen. En dan zeg ik: maar ik heb die grafiek 25 jaar bij mij thuis aan de muur gehad. Nu is het natuurlijk allemaal anders: we hebben folie op de ramen, een speciale klimaatinstallatie, ledlicht in plaats van halogeen. Op deze manier gaan de werken hier nog honderden jaren mee. Want het is de bedoeling dat je ze ziet. Dat je ze láát zien.”

Museum De Reede heeft twee betaalde krachten, daarnaast werken er vijftig vrijwilligers. Er is een kleine museumwinkel, een bibliotheek („Die is opgezet door een man die bibliothecaris is geweest. Dat is het grote voordeel van vrijwilligers, mensen tussen de zestig en de tachtig die nog kansen zien en die grijpen”), een collectie grafiek van minder bekende kunstenaars en, in een aparte zaal, een wisseltentoonstelling. Dat is nu Käthe Kollwitz (1867-1945), met bruiklenen van het aan haar gewijde museum in Keulen. Tot nu toe schrijft Museum De Reede rode cijfers. Met 25.000 bezoekers per jaar (in 2019 waren het er 15.000) zouden kosten en baten gelijk op lopen.

Als je Harry Rutten vraagt naar de opbouw van zijn collectie zegt hij: toeval. Twee broers van hem gingen naar de kunstacademie, thuis stond op het dressoir een ansichtkaart met daarop afgebeeld De Schreeuw van Munch. Hij was bekend met kunst, maar zijn eerste aankoop, Rops’ Holocauste-prent in Brussel, deed hij toen hij eigenlijk op zoek was naar lampen. Of neem die keer dat hij terechtkwam in een bui en ging schuilen in een antiquariaat. „We hadden daar niks te zoeken, maar vanwege die regen gingen we naar binnen, we deden alsof we wat wilden kopen. Ik liep door naar achteren en daar hing, verstopt achter een kast, La prostitution et la folie dominant le monde, een pendant van Le vol et la prostitution dominant le monde van Rops die ik al in mijn bezit had.” Idem Munchs The Alley in Oslo. „Ik kwam daar vaak voor mijn werk. Iemand uit het vak, een shipbroker, zei: jij bent toch geïnteresseerd in Munch? Dan neem ik je mee naar een galerie. Ook toeval.”

Kunst is troostend: het is normaal dat je zo nu en dan vastzit

Het is spelenderwijs gebeurd, wil hij maar zeggen. „Het was niet zo van: ik wil gaan verzamelen. Het gebeurde gewoon.” Had hij ook niet naar de kunstacademie willen gaan, zoals zijn broers? „Absoluut niet. Maar secundair, het waarnemen van kunst: daar heb ik altijd van gehouden.”

Kunt u uitleggen wat dat voor u is: kijken naar kunst?

„Kun je dat uitleggen? Ik weet niet… Je hebt mensen die met een verrekijker naar buiten gaan om vogels te bekijken. Ik bedoel… Hoe zijn die daartoe gekomen? Ik heb ook steeds geworsteld met… Ik heb een hekel aan dat woord: verzamelaar. Net alsof dat een opleiding is. Of een roeping. Terwijl je alleen maar in de loop van de tijd zoveel werken hebt gekocht dat… Nou ja, dat is dan misschien een verzameling, maar daarmee ben je nog geen verzamelaar.”

Naar vogels kijken is niet helemaal hetzelfde als kijken naar ‘De Schreeuw’ van Edvard Munch.

„Weet u, het is allemaal onbewust. Ik heb het nooit zo precies geanalyseerd. Maar je ziet natuurlijk in zijn werk een man die worstelt met zijn bestaan. Waarschijnlijk heb ik dat herkend.”

Want het leven is een worsteling?

„Ja, behoorlijk.”

Als ze mij zouden vragen of het leven een worsteling is dan zou ik zeggen: natuurlijk, maar ik heb het wel naar mijn zin.

„Ik kom ook niets tekort. Maar in het grote geheel moet je toch zeggen: het is een klerezooi in de wereld. Dat u en ik dan mooi buiten schot blijven, is een ander verhaal. Je zit er toch middenin, je bent onderdeel van dat bestaan.”

Maar als je naar vogels gaat kijken, ga je iets moois bekijken: je wendt je af van dat bestaan. U laat ons prenten zien die je bevestigen in het idee dat het leven geen pretje is.

„Ik weet niet of ze je daarin bevestigen. Je kunt ook zeggen: ik zie hier iemand die ook zit met bepaalde dingen. Dat is troostend: het is normaal dat je zo nu en dan vastzit. Er zit ook een bepaalde geruststelling in, denk ik: zo zit het bestaan nu eenmaal in elkaar.”

Harry Rutten begon serieus werk te maken van een museum toen zijn dochter zei: ‘Zorg dat je collectie bijeenblijft.’ Eerst wilde hij een bed and breakfast annex museum maken van zijn huis in La Hulpe, een dorp onder de rook van Brussel. „Maar wie komt daar? Dat was allemaal niks geworden.” Hij realiseerde zich ook dat als je zoiets doet, je het professioneel moet aanpakken. „Je moet ordenen, er is toezicht nodig.” En hij moest bijkopen: „Als je wilt dat je museum iets voorstelt, werk je consequent toe naar het aankopen van bepaalde grafiek.”

Maar dat zijn praktische zaken. Waarom wilde hij zijn collectie openstellen voor publiek? „Kijk, dat verhaal over wat geluk brengt in je leven… Voor de meeste mensen is dat waarschijnlijk toch… Je wilt dat er iets uit je handen komt. U wilt een goed verhaal schrijven. En daarna nog een keer. En nog een keer. Je wilt iets uit je handen zien komen – en met het museum is dat nu wel gelukt.”

Bedoelt u: anders dan met uw werk als reder?

Foto Ans Brys

„Nee, wat ik bedoel is: wat uit je handen komt, kan een belangrijke rol spelen voor een ander. Wij hebben fossiele brandstoffen vervoerd en daarin gehandeld – dat heb ik altijd met grote liefde en trots gedaan. Ik vond het een nobel beroep en wij deden het consciëntieus: het is altijd aangekomen zonder dat het lekte. Het is een noodzakelijke rol, waar je de maatschappij mee hebt gediend. En ja, we moeten van dat spul af, dat spreekt voor zich. Maar we zijn er nog steeds voor 75 procent van afhankelijk, hè. Echt, ik heb me zo vaak geërgerd aan mensen die dan met hun dikke auto’s aan kwamen rijden en hup, trokken ze van leer tegen de olie-industrie. Dan zei ik: ‘Maar mevrouw, kwam u niet net in die grote bak hiernaartoe rijden? Dat ding loopt op benzine, hè.’ En weet u hoeveel olie de wereld gebruikt? In 1980, toen ik begon als reder: 60 miljoen barrels per dag. Toen ik met pensioen ging: 100 miljoen. Hopelijk gaat het nu lukken om er iets aan te doen, dat is erg nodig. Maar het feit is: wij vervoerden geen drugs. Wij vervoerden olie in een schip naar een plaats waar die olie nodig was.”

Hij is even stil. Dan: „Nou goed, dat was een lange omweg om te zeggen: ik heb plezier aan mijn werk beleefd. En dankzij dat werk heb ik het me kunnen veroorloven deze collectie op te bouwen. Dat is een mooie bestemming, vind ik.”

Want je zou kunnen denken dat u zich schuldig voelt en het op deze manier goed wil maken.

„Absoluut niet. Nee, totaal niet. En olie is ook nog steeds nodig, je kunt niet zeggen: leg die boel maar stil. Natuurlijk moet je ervanaf, maar dat gaat echt nog wel even duren.”

Je wilt toch dat er iets uit je handen komt dat verschil maakt

Nog even over willen dat er iets uit je handen komt…

„Ik bedoel ook: je wilt dat het verschil maakt wat je doet. Je bent toch geen plant, die stil op zijn plek staat totdat hij doodgaat. Mensen willen iets in beweging brengen, je bekommeren om je naasten en om de maatschappij.”

Bent u elke dag in het museum?

„Meestal wel, ja. Soms langer, soms korter. Ik dring me niet op, maar dan zie ik bijvoorbeeld mensen voor een werk staan en dan zeg ik: moet je horen, als je nou een loep haalt beneden, dan kun je meer zien. Of ik vertel wat ik weet van dat werk.”

Delen.

„Ja, ik denk dat dat element toch wel het belangrijkste is. Dat je voelt: ik deel mijn bestaan met anderen. De kunst in dit museum is dan misschien niet vrolijk, maar het is wel… Je kunt meevoelen met wat je ziet. Ook doordat het figuratief is, het is toegankelijke kunst. Je weet dat je ziet wat je ziet.”

U was al 75 toen het museum openging in 2017.

„Toen dacht ik: vijf jaar, dat red ik nog wel. Want het is wel een proces van jaren, dat wist ik van tevoren. Maar als er straks een groot artikel komt in de NRC… Ik heb gezien wat het uitmaakt als je publiciteit krijgt, dus ik heb gedacht: die mevrouw moet niet beschaamd worden. En u bent niet beschaamd nu u het museum gezien hebt, toch? U denkt niet: potverdomme, ben ik daar nou een uur voor in de trein gaan zitten, met kans op infectie of weet ik veel wat.”

Nee, dat denk ik niet. En u hebt best nog wel wat over uzelf verteld.

„Maar dat hoeft u niet allemaal op te schrijven. We moeten allemaal bescheiden zijn: bescheidenheid is geen deugd maar een noodzaak, een eis. Wij moeten in onze handen knijpen voor alle geluk en mazzel die wij hebben.”

Museum De Reede, Ernest van Dijckkaai 7, Antwerpen. Open: vrijdag t/m maandag, 11 tot 17 uur.