Opinie

De dictator, zijn olie en de energietransitie

Maarten Schinkel

De internationale samenwerking mag dan sputteren, tussen dictators en andersoortige autocraten gaat ze verrassend goed. Dinsdag kwamen de koningen, sjeiks en presidenten-voor-het-leven van de OPEC-landen plus Poccn4 (de zogenoemde OPEC+) overeen voorlopig door te gaan met het slechts mondjesmaat opvoeren van de gezamenlijke olieproductie.

Dat is welbegrepen eigenbelang, natuurlijk. De prijs van ruwe olie dook een jaar geleden onder de 25 dollar voor een vat Brent. En héél even deed zich in Texas een zodanig opslagprobleem voor, dat de prijs van WTI (de Amerikaanse oliestandaard) onder de nul belandde. Niemand had meer plek.

Een jaar, en vrijwillige productiebeperkingen van OPEC+ verder, steeg de prijs van een vat Brent deze week voor het eerst weer boven de 70 dollar. De onderlinge discipline blijkt te werken. In juni zullen er, gezamenlijk, langzaam weer 2 miljoen vaten extra worden gepompt.

De olieprijs kan het hebben hoewel je nooit weet hoe lang dat duurt. Maar voorlopig spelen een paar factoren OPEC+ in de kaart. Allereerst valt er voor iedereen, vanwege de gestaag stijgende prijs, tóch meer te verdienen zonder dat er veel meer wordt opgepompt. Kijk naar de zogenoemde fiscal break even-prijs. Voor Saoedi-Arabië is deze minimale prijs van olie, nodig om de begroting sluitend te krijgen, gedaald van 78 dollar vorig jaar (rampspoed) naar een verwachte 66 dollar in 2022 (redelijk comfortabel). Voor de Verenigde Arabische Emiraten daalt hij naar 60 dollar, en voor Qatar naar 40 dollar. Deze prognoses komen van het Internationaal Monetair Fonds. Ook Poccn4 kan prima toe met de huidige olieprijs.

Stiekem meer produceren dan afgesproken, door acute financiële nood, is dus minder waarschijnlijk. De Amerikaanse schaliesector, die de afgelopen jaren telkens roet in het eten gooide door fors te produceren als de olieprijs steeg, moet intussen nog steeds bijkomen van de slachting die de lage olieprijzen aanrichtten. Zo hebben de Saoediërs, traditioneel de producent die de prijsvorming kon sturen, de regie weer enigszins terug.

Voor het Westen komt de stijging van de olieprijs op een zeer ongelukkig moment. Alle grondstoffen worden op dit moment fors duurder, omdat de pandemierecessie achter de rug lijkt, en er een enorme inhaalvraag ontstaat naar alles wat los en vast zit. Van koper tot timmerhout, en van chips tot energie. Dat is lastig, omdat de inflatie deze zomer hoogstwaarschijnlijk piekt, en de vraag wordt in hoeverre dit tijdelijk is. De prijzen die de industrie betaalt, stegen in de eurozone met 7,6 procent op jaarbasis in mei.

Maar dure fossiele energie heeft ook zijn voordelen. Het vergemakkelijkt de transitie van fossiele brandstoffen naar duurzame opwekking, omdat die laatste relatief steeds aantrekkelijker wordt. Of andersom: een olieprijs van 30 dollar helpt daar niet bij. Een prijs van 70 dollar wel, en één van 100 dollar al helemaal. In dat licht moet ook de opmerkelijke boodschap van het Internationaal Energie Agentschap (IEA) van vorige week worden gezien: stop met het exploreren van nieuwe olie- en gasvelden. Want als iedereen bij een stijgende prijs op zoek gaat naar nieuwe oliebronnen, ontstaat een dynamiek die je juist weer niet wil: een bestendiging van een fossiele energiesector waar je uiteindelijk vanaf wil.

Maar goed: voorlopig helpt dure olie de balans door te laten slaan naar duurzame energie, omdat het die laatste rendabeler maakt. Hoe lang de harmonie binnen OPEC+ duurt, is de vraag. Voorlopig wil de ironie dat dictators onbedoeld een handje helpen bij onze energietransitie.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.