Pagina uit El Lissitzky’s stripverhaal ‘Van twee kwadraten’, gepubliceerd in De Stijl nr 10-11, 1922

Ruzie om vierkanten

Konstruktivistische Internationale Samen met El Lissitzky begon Theo van Doesburg in 1922 een beweging van constructivistische kunstenaars. Maar toen die niet werd zoals hij wilde, saboteerde hij de Konstruktivistische Internationale.

Zielsblij was Theo van Doesburg met El Lissitzky na zijn eerste ontmoeting met hem in Berlijn. „Een prachtige kerel, die zeer consequent is”, noemde hij de Russische kunstenaar in een brief aan een vriend in Nederland. Vijf jaar nadat hij De Stijl had opgericht dacht hij in Lissitzky eindelijk de bondgenoot te hebben gevonden die hij nodig had voor de internationale verbreiding van de Nieuwe Beelding, zoals hij de kunst van De Stijl noemde.

Van Doesburg ontmoette Lissitzky bij de lezing over De Stijl die hij op 9 april 1922 gaf in boekhandel Theleman. Na de lezing ging hij met Lissitzky en andere Russische, Duitse en Hongaarse kunstenaars, onder wie Wassily Kandinsky, naar een naburig café voor een nazit tot diep in de nacht. Hier vertelden Lissitzky en Kandinsky hem honderduit over het turbulente kunstleven in het Poccn4 van na de Oktoberrevolutie, waar het communistische regime in 1918 een verbond had gesloten met de Russische avant-garde. Radicale kunstvernieuwers als Kazimir Malevitsj, Vladimir Tatlin en Kandinsky waren benoemd tot hoge kunstambtenaren met de opdracht revolutionaire kunst- en kunstonderwijsinstellingen op te zetten.

Voordat Van Doesburg Lissitzky leerde kennen, wist hij heel weinig over de Russische avant-garde. Maar op grond van een bericht over het Russische verbond tussen de politieke en kunstzinnige revolutionairen in het Duitse Kunstblatt had hij er hoge verwachtingen van. Die werden „niet beschaamd” door het relaas van Lissitzky en Kandinsky tijdens de nazit, schreef hij in een brief aan architect C.P. de Boer. „Ondanks de fabelachtige ellende – hongersnood en 80% ziekte – is er in Poccn4 een honger naar het nieuwe, die volgens Kandinsky alles overtreft. Te midden van de grootste ellende die de wereld ooit gekend heeft, zitten kunstenaars (op de ateliers) en geleerden (in de academies) rustig en vast de problemen der Nieuwe Kunstopenbaringen op te lossen. De jongeren werken allen in onzen geest nl: Nieuwe Beelding.”

Het rode en zwarte vierkant

Eind 1920 had Van Doesburg zich in Duitsland gevestigd om vaste voet aan de grond te krijgen aan het Bauhaus in Weimar, de eerste modernistische kunstschool ter wereld die in zijn ogen nog niet modern genoeg was. Lissitzky was begin 1922 door het communistische regime naar Berlijn gestuurd om contact te leggen met Midden-Europese kunstenaars. Hij was een volgeling van Malevitsj, de grondlegger van de abstract-geometrische, ‘suprematistische’ schilderkunst.

Zelfportret in twee dimensies, Kazimir Malevich (1879-1935).
Collectie Stedelijk Museum Amsterdam

Na hun kennismaking kreeg Lissitzky ruim baan in Van Doesburgs tijdschrift De Stijl. Eerst verscheen zijn artikel over zijn eigen ‘Proun-kunst’, een ruimtelijke variant van het suprematisme. In de herfst van 1922 werd een speciaal dubbelnummer van De Stijl geheel gewijd aan ‘Van twee kwadraten’, Lissitzky’s geometrisch-abstracte stripverhaal voor kinderen. Hierin komen een rood en een zwart vierkant uit de ruimte aanvliegen om orde op zaken te stellen op de door chaos beheerste aarde.

Van Doesburg zag in Lissitzky’s verhaal een verbeelding van de mogelijke samenwerking tussen De Stijl (rood vierkant) en de Russische avant-garde – het eerste van de serie suprematistische schilderijen die Malevitsj in 1915 was begonnen, is Zwart Vierkant. „Merkwaardig, hè, dat datgene wat voor ons hier een teeken van een totaal nieuwe wereldbeelding werd, het ook was voor de meest-moderne Russen”, schreef Van Doesburg in een brief aan dichter en De-Stijllid Antony Kok over het Nederlandse en Russische vierkant. „Ik heb het er destijds al met Mondriaan over gehad dat, datgene wat voor de eerste Christenen het kruis was, voor ons het vierkant is. Niet als symbool, maar als grondvorm van uiterlijke en innerlijke cultuur, als synthese van het nieuwe geloof, om het zomaar te noemen. Het kwadraat drukt althans uit wat wij en wat de huidige menschheid bestreeft: de absolute Harmonie, de eenheid van alle tweeheid.”

De naaste toekomst van beeldend Europa staat in het teken van het kwadraat

Theo van Doesburg

In zijn eigen artikel over de nieuwe kunst in Poccn4 in De Stijl voorspelde Van Doesburg dat de Europese cultuur in het teken van het vierkant zou komen te staan. „Met hun zelfopofferende consequente streven naar klaarheid, bepaaldheid en exactheid komen de Russische kunstenaars van alle Europese kunstenaars het dichtst bij de Nieuwe Beelding van de Hollanders”, schreef hij. „De innerlijke overeenkomst bestaat in de erkenning, dat de verdere ontwikkeling der kunst slechts te verwachten is in de richting van het kwadraat. In dit teeken streed het beeldend Poccn4 en zal in de naaste toekomst beeldend Europa strijden. Deze strijd zal zich op alle gebieden voltrekken.”

Al gauw na hun ontmoeting besloten Van Doesburg en Lissitzky om gezamenlijk te strijden voor ‘het geloof van het kwadraat’. In navolging van de Derde Communistische Internationale (Komintern), die Lenin in maart 1919 had opgericht, wilde het tweetal een Internationale oprichten voor de kunstenaars van het vierkant. „In Berlijn heb ik de eerste ‘steen’ gelegd voor een Internationale van Beeldende Kunstenaars”, schreef Van Doesburg aan De Boer. „Aan de Russen hebben we enorme steun!” Ook nam hij zich voor om naar Petrograd en Moskou af te reizen om daar lezingen te geven „en alles nauwkeurig te bestuderen”.

Van een reis naar het revolutionaire Poccn4 is het nooit gekomen. Maar met Lissitzky en de Duitse (film)kunstenaar Hans Richter richtte Van Doesburg al in april 1922 de Internationale Fraktion der Konstruktivisten (I.F.d.K.) op. Het begrip ‘constructivist’ had het drietal overgenomen van de constructivisten in Rusland, een groep radicale, revolutionaire kunstenaars rondom Aleksandr Rodtsjenko die de schilderkunst dood hadden verklaard en alleen met het ontwerpen van nuttige voorwerpen een bijdragen wilden leveren aan de opbouw van de nieuwe, communistische maatschappij.

Compositie XIII Composition XIII uit 1918 van Theo van Doesburg (1883 - 1931), die schreef: „Wat voor de eerste Christenen het kruis was, (is) voor ons het vierkant.” Collectie Stedelijk Museum Amsterdam.

Als het aan Van Doesburg lag, zou de Konstruktivstische Internationale (K.I.) worden gedomineerd door de kunstenaars van De Stijl. Want hoe groot de overeenkomst tussen de Russische en Nederlandse vierkanten ook was, uiteindelijk vond hij het platte, statische vierkant van Mondriaan toch beter dan het zwevende, dynamische ‘kvadrat’ van Malevitsj. Om de hegemonie van De Stijl in de K.I. te bewerkstelligen nam hij de organisatie op zich van het eerste congres van de Internationale in Weimar.

Hiermee hoopte Van Doesburg ook te voorkomen dat de K.I. werd verbonden met Lenins Komintern. Weliswaar had hij zelf in 1919 geflirt met het communisme en had hij toen korte tijd zelfs leninistische taal uitgeslagen, maar al gauw was hij tot het inzicht gekomen dat de Russische revolutie zou uitlopen op een nieuw ‘imperialistisch stelsel’ en dat ‘alles ten slotte bij het oude’ zou blijven. Bovendien zagen communistische politici ook in Midden-Europa en Nederland niets in de nieuwe kunst, zo moest hij al in 1922 vaststellen. Die wilden alleen ‘oude voorstellingskunst met humanistische of liever socialistische tendenzen’.

Alleen de kunstenaars van het kwadraat konden de wereld echt veranderen, geloofde Van Doesburg. En hun enige – maar krachtige – bondgenoot hierbij was de Zeitgeist, de motor van de geschiedenis, die steeds meer in het teken van het ‘collectieve’ en ‘universele’ kwam te staan, en zo de toekomst onafwendbaar ‘in de richting van het kwadraat’ stuwde.

Gebrul voor schaapskoppen

In de aanloop naar het oprichtingscongres werd het tijdschrift De Stijl de spreekbuis van de Konstruktivistische Internationale. Maar tijdens de voorbereidende vergaderingen van een wisselende groep Russische, Hongaarse, Duitse en Nederlandse constructivisten in Berlijn, merkte Van Doesburg al na enkele maanden dat hij de controle over de K.I. verloor. Niet alleen lukte het hem nauwelijks om er Nederlandse (ex-)De-Stijlkunstenaars en architecten bij te betrekken, maar ook vermoedde hij – terecht – dat vooral de Hongaarse constructivisten László Moholy-Nagy en Alfred Kemény van de K.I. een revolutionaire beweging van communistisch-constructivistische kunstenaars wilden maken.

Theo van Doesburg en Cornelis van Eesteren: Contra-constructie, 1925.

Collectie Stedelijk Museum Amsterdam

Een week voor het oprichtingscongres van de K.I. op 26 september besloot hij zich dan ook ‘terug te trekken’, schreef hij Kok. „De tijd voor een gemeenschappelijk streven is nog niet rijp”, gaf hij als reden.

Maar zijn terugtrekking uit de de K.I. betekende niet dat het congres niet doorging. Wel veranderde hij het in een ‘klein kunstenaarscongres’, waarvoor hij ook dadaïsten als Kurt Schwitters uitnodigde. Hiervan had hij in ieder geval Moholy-Nagy en Kemény niet op de hoogte gesteld. Toen de Hongaarse constructivisten op 26 september 1922 in Weimar aankwamen om er de Konstruktivistische Internationale op te richten, „troffen we tot onze grote verrassing de dadaïsten Hans Arp en Tristan Tzara aan”, zo herinnerde Moholy-Nagy zich later. „Dit veroorzaakte een rebellie tegen de gastheer, Theo van Doesburg, omdat we het dadaïsme als een destructieve en achterhaalde beweging beschouwden. Van Doesburg, een sterke persoonlijkheid, wist de storm tot bedaren te brengen en de gasten werden tot verbijstering van de jonge, puristische deelnemers geaccepteerd. Die trokken zich langzaam terug en lieten zo toe dat het congres in een dadaïstische voorstelling veranderde. Het was ons toen niet bekend dat Van Doesburg tegelijkertijd constructivist en dadaïst was, die onder het pseudoniem I.K. Bonset dadaïstische gedichten schreef.”

Voor de latere Bauhaus-docent Moholy-Nagy mocht het dadaïsme in 1922 dan een gepasseerd station zijn geweest, voor Van Doesburg vormden dadaïsme en constructivisme een hechte ‘tweeheid’. Destructie ging vooraf aan constructie: de opbouw van de nieuwe wereld kon pas beginnen als de oude was vernietigd. „Slechts een radicale zuivering (zooals het antisentimenteele, oergezonde Dadaïsme reeds op ’t gebied der kunst (anti-kunst!) is, kan de maatschappij geschikt maken de genade van het Nieuwe Inzicht, dat in enkelen groot en zuiver leeft, te ontvangen”, legde hij Kok uit in onversneden religieuze termen.

Van Doesburgs Kongress der Konstruktvisten und Dadaïsten werd afgesloten met een dolle dada-avond avond met muziek en woeste voordrachten in Hotel Fürstenhof. „Je had die smoelen moeten zien, toen Arp zijn wonderlijke ‘Wolkenpumpe’ voorlas!”, schreef Van Doesburg Kok. „Het heele Bauhaus was ook tegenwoordig. (-) Het grappigste was het onverwachte gebrul van Kurt Schwitters – en dan de uitwerking. Het schaapskoppenpubliek is toch in de heele wereld hetzelfde.”

Van Doesburgs dadaïstische sabotage van het congres van de Konstruktivistische Internationale was effectief: van de ‘vereniging van de constructivisten aller landen’ kwam niets terecht, ook niet na het congres.

Dit artikel is een bewerking van een hoofdstuk uit het nog te verschijnen boek ‘Het verhaal van de twee kwadraten’ van Bernard Hulsman.